Spanish Strolls
Pensionadocoreë flitsoverwintering in Andalusië
Daar een Doppelpack in kenmerkende zin een twee-in-een-fenomeen is, kreeg mijn najaarswandelvakantie in Andalusië, qua Doppelpack deswege, een vervolg rond de feestdagen. Dit keer streken negentien reisgenoten en scribent dezes neer in het Andalusische Rincón de la Victoria, een kalme, overwegend op Spaanse toeristen gerichte badplaats op een steenworp afstand van Málaga. Naast tochtjes per benenwagen in de directe omgeving voorzag het programma in enige uitstapjes van culturele dan wel gastronomische snit en een dag vertoeven in de reeds gememoreerde big smoke van de Costa del Sol.
Dag 0 en 1: Alverna – Amsterdam – Málaga – Rincón de la Victoria
Dinsdag 23 en woensdag 24 december 2025
Rond de Noordzee heeft Koning Winter zijn al dan niet bevallige derrière op zijn aldaar schier onbezoedelde troon gevlijd, zich manifesterend in een snijdend koude noordoostenwind en de blauwbekste Kerst sinds jaren in het verschiet. Daarentegen heersen in Zuid-Spanje echter temperaturen die in Nederland anno 2025 inmiddels als vanzelfsprekend worden ervaren omstreeks het zojuist gememoreerde, uitbundig gevierde midwinterfeest – te weten een graadje of 15. In het Citizen M reikt het kwik nog menig streepje hoger.
Reismatties K. en S. resideren in hetzelfde onderkomen en we zetten een zekere instantmessagingapp in teneinde gezamenlijk een vorkje te kunnen prikken. Waar ik in een nog niet zo grijs verleden mijn toevlucht placht te zoeken tot een extravagante combinatie van Albert Heijn-sushi en chips, blijken de warme prak en de kouwe klets van de intussen tot de Marriott-koepel toegetreden hotelketen bovengemiddeld binnen te houden. Een en ander gaat gepaard met amicaal gekeuvel.
Om de lange kerstvakantierotten – die slechts zullen blijken te bestaan bij de gratie van stresshormonen mijnerzijds – te ontlopen, melden we ons even na 4.00 uur bij de nagenoeg uitgestorven Transavia-incheckhub. Ook bij de röntgen stroomt het heerlie de peerlie door, hetgeen de contouren schetst van een even uitvoerig als Schiphol-duur ontbijt – en aldus geschiedt. De vlucht wordt gesandwicht door enerzijds een tijdrovende de-icing-sessie en anderzijds een feest voor het oog zijnde nadering van de luchthaven van Málaga, waarbij aanvankelijk het Marokkaanse Rifgebergte aan de zuidelijke einder gloort, en vervolgens de zo-even vermelde havenstad zich in vol ornaat etaleert. Rond het platform en de start- en landingsbanen staan grote plassen, ten teken dat het klimaat van de Costa del Sol wel degelijk ruimte biedt aan lagedrukweer.
Na een ritje van krap een halfuur moet de receptionist van ons hotel zijn handjes reeds laten wapperen; de kamers zijn al in gereedheid gebracht voor een bescheiden siësta. Het verblijf is gevestigd in een opvallend gebouw aan de strandpromenade: het is weliswaar geen architectonisch juweeltje, zoals geen van de opstallen te Rincón – officieel Rincón de la Victoria, maar Mart Smeets en wij mogen Rincón zeggen – onder de noemer meesterwerk valt, doch de westelijke vleugel is slechts in betonnen ruwbouw uitgevoerd, een typisch gevalletje van lege potjes en gefnuikte ambities. Het gedeelte dat wel is voltooid biedt twee defecte liften, een royale gelagzaal met een van elke sfeer gespeend lichtplan en een al even riante lobby met een bar en een skyboxuitzicht op zon, zee en strand, al laat eerstgenoemde het thans schromelijk afweten.
Na de meer dan welkome powernap maken we onder leiding van de excentrieke Aktiva-gids K. een ommetje ter oriëntering doorheen de tussen zee en hoge heuvels dan wel lage bergen ingeklemde kustplaats; een supermarkt en een apotheek zouden immers weleens van pas kunnen komen, alsmede el chino, een soort non-virtuele Temu del pobre, een instituut op met name het Iberisch schiereiland en aanverwante archipels. Werkeloos toezien vanuit de koffer is er voor de Gore-Texlappen dan wel paraplu's niet bij, daar vanuit een goor zwerk malse buien neerdalen. Eenmaal op een overdekt terras gezeten voor de lunch komt het met bakken uit de lucht. Zodra de trek is gestild en onderhavige bui in kracht is afgenomen, waag ik me in het centrum om de relatief ingetogen kerstdecoraties op de gevoelige plaat vast te leggen. Ik heb de ontspanknop amper bepoteld, of gitzwarte wolken trekken andermaal over het heuvelende achterland, begeleid door felle bliksems en knetterende donderslagen – tijd derhalve om naar het hotel terug te keren. Het weer verslechtert verder als ook vanuit zee aardedonkere cumulonimbi het land op komen zeilen: een oogverblindende flits en oorverdovende klap vormen de simultane opmaat tot een apocalyptische hagelgeseling; op het nippertje bereik ik de beschutting van de hotellobby. In een mum van tijd stroomt het smeltwater door de straten en is het strand bedekt onder een laag ijs waar de respectievelijke harten van bepaalde rayonhoofden sneller van gaan kloppen. Als het natuurgeweld eenmaal zijn biezen heeft gepakt, trekt het resultaat het nodige bekijks en is er tevens een roedel sneeuwschuivers – waar komen die zo gauw vandaan, qua Costa del Sol? – opgetrommeld om de begaanbaarheid van de belangrijkste verkeersaders te normaliseren. De zon breekt door, maar de hagelmassa's houden niettemin opmerkelijk lang stand: als ik voor het warm buffet nog een blokje om wil, is het nog immer spekglad op de trottoirs.
Reismatties K. en S. resideren in hetzelfde onderkomen en we zetten een zekere instantmessagingapp in teneinde gezamenlijk een vorkje te kunnen prikken. Waar ik in een nog niet zo grijs verleden mijn toevlucht placht te zoeken tot een extravagante combinatie van Albert Heijn-sushi en chips, blijken de warme prak en de kouwe klets van de intussen tot de Marriott-koepel toegetreden hotelketen bovengemiddeld binnen te houden. Een en ander gaat gepaard met amicaal gekeuvel.
Om de lange kerstvakantierotten – die slechts zullen blijken te bestaan bij de gratie van stresshormonen mijnerzijds – te ontlopen, melden we ons even na 4.00 uur bij de nagenoeg uitgestorven Transavia-incheckhub. Ook bij de röntgen stroomt het heerlie de peerlie door, hetgeen de contouren schetst van een even uitvoerig als Schiphol-duur ontbijt – en aldus geschiedt. De vlucht wordt gesandwicht door enerzijds een tijdrovende de-icing-sessie en anderzijds een feest voor het oog zijnde nadering van de luchthaven van Málaga, waarbij aanvankelijk het Marokkaanse Rifgebergte aan de zuidelijke einder gloort, en vervolgens de zo-even vermelde havenstad zich in vol ornaat etaleert. Rond het platform en de start- en landingsbanen staan grote plassen, ten teken dat het klimaat van de Costa del Sol wel degelijk ruimte biedt aan lagedrukweer.
Na een ritje van krap een halfuur moet de receptionist van ons hotel zijn handjes reeds laten wapperen; de kamers zijn al in gereedheid gebracht voor een bescheiden siësta. Het verblijf is gevestigd in een opvallend gebouw aan de strandpromenade: het is weliswaar geen architectonisch juweeltje, zoals geen van de opstallen te Rincón – officieel Rincón de la Victoria, maar Mart Smeets en wij mogen Rincón zeggen – onder de noemer meesterwerk valt, doch de westelijke vleugel is slechts in betonnen ruwbouw uitgevoerd, een typisch gevalletje van lege potjes en gefnuikte ambities. Het gedeelte dat wel is voltooid biedt twee defecte liften, een royale gelagzaal met een van elke sfeer gespeend lichtplan en een al even riante lobby met een bar en een skyboxuitzicht op zon, zee en strand, al laat eerstgenoemde het thans schromelijk afweten.
Na de meer dan welkome powernap maken we onder leiding van de excentrieke Aktiva-gids K. een ommetje ter oriëntering doorheen de tussen zee en hoge heuvels dan wel lage bergen ingeklemde kustplaats; een supermarkt en een apotheek zouden immers weleens van pas kunnen komen, alsmede el chino, een soort non-virtuele Temu del pobre, een instituut op met name het Iberisch schiereiland en aanverwante archipels. Werkeloos toezien vanuit de koffer is er voor de Gore-Texlappen dan wel paraplu's niet bij, daar vanuit een goor zwerk malse buien neerdalen. Eenmaal op een overdekt terras gezeten voor de lunch komt het met bakken uit de lucht. Zodra de trek is gestild en onderhavige bui in kracht is afgenomen, waag ik me in het centrum om de relatief ingetogen kerstdecoraties op de gevoelige plaat vast te leggen. Ik heb de ontspanknop amper bepoteld, of gitzwarte wolken trekken andermaal over het heuvelende achterland, begeleid door felle bliksems en knetterende donderslagen – tijd derhalve om naar het hotel terug te keren. Het weer verslechtert verder als ook vanuit zee aardedonkere cumulonimbi het land op komen zeilen: een oogverblindende flits en oorverdovende klap vormen de simultane opmaat tot een apocalyptische hagelgeseling; op het nippertje bereik ik de beschutting van de hotellobby. In een mum van tijd stroomt het smeltwater door de straten en is het strand bedekt onder een laag ijs waar de respectievelijke harten van bepaalde rayonhoofden sneller van gaan kloppen. Als het natuurgeweld eenmaal zijn biezen heeft gepakt, trekt het resultaat het nodige bekijks en is er tevens een roedel sneeuwschuivers – waar komen die zo gauw vandaan, qua Costa del Sol? – opgetrommeld om de begaanbaarheid van de belangrijkste verkeersaders te normaliseren. De zon breekt door, maar de hagelmassa's houden niettemin opmerkelijk lang stand: als ik voor het warm buffet nog een blokje om wil, is het nog immer spekglad op de trottoirs.
Dag 2: Rincón de la Victoria – Arroyo Granadilla – Rincón de la Victoria
Donderdag 25 december 2025
Het karakter van de atmosfeer kent ook een zachte kant, zo blijkt Eerste Kerstdag ten enenmale.
De ochtendlijke eetgewoonten der Spanjaarden indachtig mag het ontbijtbuffet voorwaar gezien worden; een en ander doet echter geen opgeld voor het lunchpakket dat het keukenpersoneel voor ons in petto heeft: met twee excessief beboterde sneetjes witbrood met een plakje natte ham, een melige appel en een pakje ananassap is het wel bekeken.
Een chauffeur rijdt zijn bus voor, om ons tot onze collectieve verbazing zegge en schrijve twee kilometer verderop, nog ruimschoots voor het bord "einde bebouwde kom Rincón de la Victoria", af te zetten ter hoogte van een brug over de Arroyo Granadilla. Het betreft hier een zogeheten wadi, een van de vele die hun oorsprong vinden in het direct achter de smalle kuststrook oprijzende laaggebergte en uitmonden in de Middellandse Zee; uitsluitend na gestage regenval of zware buien stroomt er water. Droge beekdalen kunnen, zo is mijn ervaring, bijzonder fotogeniek voor de dag komen, maar de Arroyo Granadilla is een exemplaar met een radiogezicht: waar de bedding een natuurlijke uitvalsweg vormt en ook als zodanig wordt gebruikt, wordt ze geflankeerd door aftandse loodsen en andere bouwvallen, verkruimelende betonwandjes, braakliggende terreinen, woekerend onkruid, zwerfafval en auto's in alle mogelijke staten van onderhoud.
We volgen de beekbodem bergopwaarts, waarbij de onbeschrijfelijke, maar desondanks in de vorige alinea geportretteerde rotzooi stilaan wijkt ten faveure van verspreide tweede huizen en eenzame ruïnes, en de parttime waterloop na verloop van tijd overgaat in een uitgesleten, steil, doch breed pad. Daarnaast is het aangenaam warm en winnen de uitzichten over de Costa del Sol, tot aan Málaga aan toe, allengs aan kwaliteit. De hagelplakkaten die zich, vermomd als sneeuwvelden, klaarblijkelijk sedert gistermiddag weten te handhaven in schaduwrijke hoeken en gaten baren echter nog het meeste opzien.
Dan gebeurt het onvermijdelijke: trek, in combinatie met een rammelende maag. Om te voorkomen dat ik tijdens de ophanden zijnde afdaling geen knip voor de neus waard zal zijn, zal het ondermaatse proviand dienen te worden aangeboord. Geheel in stijl foerageren we aan een tippelzonerotonde, onder de rook van een nagelnieuw luxecomplex van Dato-witte vakantieappartementen. Na onderhavige oppepper die welk gastronomisch allooi dan ook ontbeerde valt ons pad met menig losliggende kiezel en een onredelijk hellingspercentage zeeniveauwaarts, zo hupsakee Rincón in. Nog voor tweeën vangt het terrasjes pikken op de boulevard aan, eerst bij een conculega-hotel, dan bij de Bikinibar, waar mannen zich onledig houden met de edele dartssport, de voetbalcommentator wordt overstemd door dreinende reggaetonfabrieksels en de serveerster een naveltruitje draagt. De sfeer uit de Kerst-Allerhande ligt hier niet bepaald voor het opscheppen.
De ochtendlijke eetgewoonten der Spanjaarden indachtig mag het ontbijtbuffet voorwaar gezien worden; een en ander doet echter geen opgeld voor het lunchpakket dat het keukenpersoneel voor ons in petto heeft: met twee excessief beboterde sneetjes witbrood met een plakje natte ham, een melige appel en een pakje ananassap is het wel bekeken.
Een chauffeur rijdt zijn bus voor, om ons tot onze collectieve verbazing zegge en schrijve twee kilometer verderop, nog ruimschoots voor het bord "einde bebouwde kom Rincón de la Victoria", af te zetten ter hoogte van een brug over de Arroyo Granadilla. Het betreft hier een zogeheten wadi, een van de vele die hun oorsprong vinden in het direct achter de smalle kuststrook oprijzende laaggebergte en uitmonden in de Middellandse Zee; uitsluitend na gestage regenval of zware buien stroomt er water. Droge beekdalen kunnen, zo is mijn ervaring, bijzonder fotogeniek voor de dag komen, maar de Arroyo Granadilla is een exemplaar met een radiogezicht: waar de bedding een natuurlijke uitvalsweg vormt en ook als zodanig wordt gebruikt, wordt ze geflankeerd door aftandse loodsen en andere bouwvallen, verkruimelende betonwandjes, braakliggende terreinen, woekerend onkruid, zwerfafval en auto's in alle mogelijke staten van onderhoud.
We volgen de beekbodem bergopwaarts, waarbij de onbeschrijfelijke, maar desondanks in de vorige alinea geportretteerde rotzooi stilaan wijkt ten faveure van verspreide tweede huizen en eenzame ruïnes, en de parttime waterloop na verloop van tijd overgaat in een uitgesleten, steil, doch breed pad. Daarnaast is het aangenaam warm en winnen de uitzichten over de Costa del Sol, tot aan Málaga aan toe, allengs aan kwaliteit. De hagelplakkaten die zich, vermomd als sneeuwvelden, klaarblijkelijk sedert gistermiddag weten te handhaven in schaduwrijke hoeken en gaten baren echter nog het meeste opzien.
Dan gebeurt het onvermijdelijke: trek, in combinatie met een rammelende maag. Om te voorkomen dat ik tijdens de ophanden zijnde afdaling geen knip voor de neus waard zal zijn, zal het ondermaatse proviand dienen te worden aangeboord. Geheel in stijl foerageren we aan een tippelzonerotonde, onder de rook van een nagelnieuw luxecomplex van Dato-witte vakantieappartementen. Na onderhavige oppepper die welk gastronomisch allooi dan ook ontbeerde valt ons pad met menig losliggende kiezel en een onredelijk hellingspercentage zeeniveauwaarts, zo hupsakee Rincón in. Nog voor tweeën vangt het terrasjes pikken op de boulevard aan, eerst bij een conculega-hotel, dan bij de Bikinibar, waar mannen zich onledig houden met de edele dartssport, de voetbalcommentator wordt overstemd door dreinende reggaetonfabrieksels en de serveerster een naveltruitje draagt. De sfeer uit de Kerst-Allerhande ligt hier niet bepaald voor het opscheppen.
Dag 3: Rincón de la Victoria – Moclinejo – Rincón de la Victoria
Vrijdag 26 december 2025
Tweede Kerstdag, althans, in Nederland. In Spanje is zulks onbekend en herneemt het leven zijn normale gang.
In de in de lobby rondslingerende sufferdjes – waarvan een in de Duitse taal – raken de verslaggevers niet uitgepraat over het noodweer van eergisteren. Ofschoon het aan de kust kwiktechnisch goed toeven is, beleven de sierra's een ongebruikelijk koude Kerst, zo luidt de teneur. Een en ander blijkt als tijdens de transfer de verder in het binnenland gelegen Sierra de Tejada zich aan ons ontsluit: de hoogste top, La Maroma (2.069 meter), is scheutig bepoedersuikerd. Maar vandaag schijnt de zon alsof er niets gebeurd is.
De bus keert terug bij de brug over de vermaledijde Arroyo Granadilla, doch ditmaal vervolgen we de weg slingerend heuvelop in de richting van Benagalbón en Moclinejo. Na een rit met fraaie panorama's zeggen we ter hoogte van de historische toegangspoort tot laatstgenoemde nederzetting adiós tegen de chauffeur en wandelen we naar een pleintje in de schaduw van de kerk, waar we meteen aan de koffie gaan en zojuist een marktje wordt opgebouwd.
Moclinejo is gezegend met een aantrekkelijke ligging in een komdal; smalle, hellende kronkelstraatjes wurmen zich doorheen een mêlee van witte huizen, die niet zelden zijn opgesmukt met bonte siertegels, dito mozaïeken, muurschilderingen en Moorse details. Alvorens we echter oog hebben voor het esthetisch geslaagde dorpsgezicht, gaan we op zoek naar de woonst van El Ratón Pérez, een muis uit de Spaanse folklore en in die hoedanigheid het lokale equivalent van de tandenfee.
Aan de rand van het plaatsje stuiten we op de rood-witte markeringen van de GR 242, die we zullen aanhouden tot aan de branding. Vermits het navigeren derhalve een fluitje van een cent zal blijven, valt de groep uit elkaar en gaat eenieder zijns dan wel haars weegs wat betreft tempo. Wandeltijger dezes komt na honderdvijftig hoogtemeters als een van de eersten aan op het hoogste punt van de reis, waar een grandioos vergezicht op hem wacht. De afdaling verloopt over ruime, onverharde paden, hier en daar met losliggende stenen, waardoor de momenten om van de aanhoudend oogstrelende vista's over de Costa del Sol in het zuiden en de bergen in het noorden te genieten zorgvuldig dienen te worden gekozen. Ik bereik een licht verruigde weide met enige beschutting tegen de zon, een puike plek voor het verorberen van wat voor een lunchpakket moet doorgaan. De witte sandwich met eiersalade is formeel nog eetbaar, maar heeft in de rugzak ongemerkt reeds de laatste sacramenten toegediend gekregen.
Het peloton komt de hoek om en heeft gezelschap gekregen van een jonge hond – hoe dan ook een vriendelijker beest dan de woest blaffende en grommende schepsels die letterlijk bij elke boerderij dan wel buitenhuis de wacht houden. Overigens verdienen installateurs van alarmsystemen en afrasteringsboeren hier ook een goed belegde boterham – dit in tegenstelling tot twintig illustere wandelaars uit de Lage Landen. De speelse viervoeter vergezelt ons tijdens het restant van de afdaling, die goeddeels via de Arroyo Granadilla verloopt; in Rincón loopt hij kennelijke bekenden tegen het lijf. Wij zoeken een strandtent op, waar we ons, gezien de flink aangetrokken wind, binnen verschansen. Het blijkt een lot uit de loterij: er heerst een leuke sfeer en de maaltijdsalades en andere liflafjes zijn om de vingers bij af te likken. Later in de middag verhuizen we naar een terras in de luwte. De tafeltjes langs de strandpromenade zijn goed bezet met in hoofdzaak Spanjaarden – een gezellige, ongedwongen ambiance die je niet verwacht aan te treffen in een badplaats aan de Middellandse Zee, als Oh oh Cherso en Hete kussen uit Salou je enige referentiekaders dienaangaande zijn.
In de in de lobby rondslingerende sufferdjes – waarvan een in de Duitse taal – raken de verslaggevers niet uitgepraat over het noodweer van eergisteren. Ofschoon het aan de kust kwiktechnisch goed toeven is, beleven de sierra's een ongebruikelijk koude Kerst, zo luidt de teneur. Een en ander blijkt als tijdens de transfer de verder in het binnenland gelegen Sierra de Tejada zich aan ons ontsluit: de hoogste top, La Maroma (2.069 meter), is scheutig bepoedersuikerd. Maar vandaag schijnt de zon alsof er niets gebeurd is.
De bus keert terug bij de brug over de vermaledijde Arroyo Granadilla, doch ditmaal vervolgen we de weg slingerend heuvelop in de richting van Benagalbón en Moclinejo. Na een rit met fraaie panorama's zeggen we ter hoogte van de historische toegangspoort tot laatstgenoemde nederzetting adiós tegen de chauffeur en wandelen we naar een pleintje in de schaduw van de kerk, waar we meteen aan de koffie gaan en zojuist een marktje wordt opgebouwd.
Moclinejo is gezegend met een aantrekkelijke ligging in een komdal; smalle, hellende kronkelstraatjes wurmen zich doorheen een mêlee van witte huizen, die niet zelden zijn opgesmukt met bonte siertegels, dito mozaïeken, muurschilderingen en Moorse details. Alvorens we echter oog hebben voor het esthetisch geslaagde dorpsgezicht, gaan we op zoek naar de woonst van El Ratón Pérez, een muis uit de Spaanse folklore en in die hoedanigheid het lokale equivalent van de tandenfee.
Aan de rand van het plaatsje stuiten we op de rood-witte markeringen van de GR 242, die we zullen aanhouden tot aan de branding. Vermits het navigeren derhalve een fluitje van een cent zal blijven, valt de groep uit elkaar en gaat eenieder zijns dan wel haars weegs wat betreft tempo. Wandeltijger dezes komt na honderdvijftig hoogtemeters als een van de eersten aan op het hoogste punt van de reis, waar een grandioos vergezicht op hem wacht. De afdaling verloopt over ruime, onverharde paden, hier en daar met losliggende stenen, waardoor de momenten om van de aanhoudend oogstrelende vista's over de Costa del Sol in het zuiden en de bergen in het noorden te genieten zorgvuldig dienen te worden gekozen. Ik bereik een licht verruigde weide met enige beschutting tegen de zon, een puike plek voor het verorberen van wat voor een lunchpakket moet doorgaan. De witte sandwich met eiersalade is formeel nog eetbaar, maar heeft in de rugzak ongemerkt reeds de laatste sacramenten toegediend gekregen.
Het peloton komt de hoek om en heeft gezelschap gekregen van een jonge hond – hoe dan ook een vriendelijker beest dan de woest blaffende en grommende schepsels die letterlijk bij elke boerderij dan wel buitenhuis de wacht houden. Overigens verdienen installateurs van alarmsystemen en afrasteringsboeren hier ook een goed belegde boterham – dit in tegenstelling tot twintig illustere wandelaars uit de Lage Landen. De speelse viervoeter vergezelt ons tijdens het restant van de afdaling, die goeddeels via de Arroyo Granadilla verloopt; in Rincón loopt hij kennelijke bekenden tegen het lijf. Wij zoeken een strandtent op, waar we ons, gezien de flink aangetrokken wind, binnen verschansen. Het blijkt een lot uit de loterij: er heerst een leuke sfeer en de maaltijdsalades en andere liflafjes zijn om de vingers bij af te likken. Later in de middag verhuizen we naar een terras in de luwte. De tafeltjes langs de strandpromenade zijn goed bezet met in hoofdzaak Spanjaarden – een gezellige, ongedwongen ambiance die je niet verwacht aan te treffen in een badplaats aan de Middellandse Zee, als Oh oh Cherso en Hete kussen uit Salou je enige referentiekaders dienaangaande zijn.
Dag 4: Rincón de la Victoria
Zaterdag 27 december 2025
Hoewel de bergen lonken en zich daarenboven lenen voor een dagtrip – het is, scribent dezes noemt maar een zijstraat, drie kwartier rijden naar de voet van de reeds gememoreerde La Maroma – blijven we vandaag binnen de gemeentegrenzen van Rincón en komt er derhalve zelfs geen bus aan te pas. Louter met goudeerlijke spierkracht kuieren we over de drukke hoofdstraat en leidt onze mannelijke moederkloek K. ons naar een resem trappen, die op hun beurt toegang verschaffen tot met zeezicht behepte, doch voor het overige zieltogende woonwijken. Na een stief half uur, net als we ons beginnen af te vragen waar we in hemelsnaam mee bezig zijn, staan we voor het functionele ontvangstgebouw van de Cueva del Tesoro. Het betreft hier de enige grot in Europa die door de zee is geschapen – wereldwijd schijnen er slechts drie van zulke exemplaren te zijn, de overige twee in China respectievelijk Mexico. Van het ondergrondse gangenstelsel is zo'n zeshonderd meter toegankelijk voor publiek; elders zijn onder meer muurschilderingen en menselijke voetafdrukken aangetroffen, wier leeftijd wordt geschat op 40.000 jaar. Gezekerde trappenpaden voeren ons doorheen een keur aan feeëriek geïllumineerde kamers met grillige, vochtige wanden van wit kalksteen; stalagmieten en stalactieten, fenomenen die doorgaans de show plegen te stelen in grottenland, schitteren door afwezigheid. Ook de rijkelijk aanwezige kunstmatige ingrepen, waaronder een grote glazen lift, doen enigszins afbreuk aan de ervaring. Als een van de eersten zoek ik het daglicht weer op. Donkere, dreigende wolken hebben zich tussentijds samengepakt en de wind heeft er menig schepje bovenop gedaan, de voorbodes van een regenstoring waarvoor de Spaanse weerkundige dienst code oranje heeft uitgevaardigd.
We wandelen kriskras door een archeologisch park – een aardig intermezzo vanwege de uitzichten op zee en een lommerrijk stadsdeel met villa's dat zich over de glooiingen uitstrekt. Maar een beauty wil de vandage tocht niet worden – sterker, onze respectievelijke maten zijn vol als we even verderop een straat met aan beide zijden rijtjeshuizen en garageboxen volgen, parallel aan de strandboulevard. We nemen aldus de eerste gelegenheid te baat om de terugweg te aanvaarden met de inmiddels woelige baren aan de rechterhand. We bereiken een chiringuito – de lokale benaming voor een klein, semi-provisorisch strandpaviljoen – waar een lange tafel voor ons is gereserveerd ter gebruiking van een sobere, doch navenant zacht geprijsde paella.
Terwijl de zon zich nog niet wenst neer te leggen bij haar meteorologische reserverol, hervatten we de dagmars via het opgebroken spoorlijntje tussen Málaga en Vélez-Málaga, dat over de gehele lengte is herschapen in een recreatief parcours voor wandelaars en fietsers. Een uitgestoken tong van grillige rotsen wordt in chronologische volgorde bedwongen door twee voormalige treintunnels en een trappenpad dat naar een monumentale, veertiende-eeuwse verdedigingstoren leidt. Ter hoogte van een deftig kapelletje staan we oog in oog met de hoge, wit schuimende golven van de Middellandse Zee, die worden gegenereerd door een stormachtige wind, en die op zijn beurt het zand over de promenade doet stuiven en een imposant sombere wolkenmassa Andalusiëwaarts dirigeert. We flaneren langs de horeca en houden halt bij de Bikinibar, waar we aan de lijzijde nog aan een tasje pleur nippen.
Na enig uitstel van executie zetten de weergoden het tijdens de buffetmaaltijd alsnog op een regenen, donderen en bliksemen.
We wandelen kriskras door een archeologisch park – een aardig intermezzo vanwege de uitzichten op zee en een lommerrijk stadsdeel met villa's dat zich over de glooiingen uitstrekt. Maar een beauty wil de vandage tocht niet worden – sterker, onze respectievelijke maten zijn vol als we even verderop een straat met aan beide zijden rijtjeshuizen en garageboxen volgen, parallel aan de strandboulevard. We nemen aldus de eerste gelegenheid te baat om de terugweg te aanvaarden met de inmiddels woelige baren aan de rechterhand. We bereiken een chiringuito – de lokale benaming voor een klein, semi-provisorisch strandpaviljoen – waar een lange tafel voor ons is gereserveerd ter gebruiking van een sobere, doch navenant zacht geprijsde paella.
Terwijl de zon zich nog niet wenst neer te leggen bij haar meteorologische reserverol, hervatten we de dagmars via het opgebroken spoorlijntje tussen Málaga en Vélez-Málaga, dat over de gehele lengte is herschapen in een recreatief parcours voor wandelaars en fietsers. Een uitgestoken tong van grillige rotsen wordt in chronologische volgorde bedwongen door twee voormalige treintunnels en een trappenpad dat naar een monumentale, veertiende-eeuwse verdedigingstoren leidt. Ter hoogte van een deftig kapelletje staan we oog in oog met de hoge, wit schuimende golven van de Middellandse Zee, die worden gegenereerd door een stormachtige wind, en die op zijn beurt het zand over de promenade doet stuiven en een imposant sombere wolkenmassa Andalusiëwaarts dirigeert. We flaneren langs de horeca en houden halt bij de Bikinibar, waar we aan de lijzijde nog aan een tasje pleur nippen.
Na enig uitstel van executie zetten de weergoden het tijdens de buffetmaaltijd alsnog op een regenen, donderen en bliksemen.
Dag 5: Rincón de la Victoria – Torre del Mar – Rincón de la Victoria
Zondag 28 december 2025
Ik – en aan de ontbijtdis zal blijken velen met mij – word ruw uit mijn slaap gerukt als Thor, ter hoogte van de bergen achter Rincón, zijn kekke hamertje Mjölnir een ferme zwieper geeft. Hoewel het afgelopen nacht op gezette tijden pijpenstelen heeft geregend en de diverse weerapps onverminderd pessimistisch gestemd zijn over het meteorologische verloop van de ochtend, is het zwaartepunt van de neerslag ten westen van ons langs getrokken, onder meer resulterend in buiten hun oevers getreden arroyo's en aanzienlijke wateroverlast in delen van Málaga. Het noordelijke kwadrant van de hemelkoepel wordt weliswaar nog immer gedomineerd door de intimiderende aanzetten tot donderwolken, Pluvius lijkt in de touwen te hangen en boven zee vallen er grote, blauwe gaten in de lucht.
Vandaag is er geen programma en bijgevolg wordt eenieder in de gelegenheid gesteld zijns dan wel haars weegs te gaan. Een enkeling zoekt, ondanks de onheilsberichten, vertier en jolijt in de geboortestad van Pablo Picasso, een ander bestijgt het stalen ros, doch het gros stapt in de openbare bus naar Torre del Mar, een op toeristische leest geschoeid oord een stiefe vijftien kilometer verder naar het oosten. Is Rincón al geen parel, Torre del Mar verdient evenmin de schoonheidsprijs met zijn rijke verzameling troosteloze blokkendozen. Terwijl we, met uiteindelijk succes, op zoek zijn naar een barretje, valt er nog een sfeerbuitje, maar een eclatante weersverbetering ligt op de loer en is niet van zins om zich de kaas van het brood te laten eten.
Wandelgezellen K., Y., S. en scribent dezes hebben goesting een duchtig robbertje zachte mobiliteit ten beste te geven, middels het per benenwagen spiegelen van de zo-even genoten busrit – met dien verstande een en ander zo onverhard mogelijk te realiseren en daarbij het zilte nat met aan fundamentalisme grenzende volhardendheid in onze respectievelijke blikvelden te houden. Het kilometrage is ongewis, evenals de potentiële bijdrage van klemmen en voetangels; ergo, enig incasseringsvermogen inzake onaangename verrassingen is key, een mate van flexibiliteit die goed van pas zal blijken te komen. Hoe dan ook is reeds klip en klaar dat er vuile meters gemaakt zullen moeten worden: hier en daar is er tussen de vloedlijn en de drukke doorgaande weg slechts ruimte voor een geasfalteerd wandelpad – ons pad.
De wolken trekken zich schielijk terug, de temperatuur zit in de lift, het humeur is opperbest en de tred is krachtig; onbekommerd volgen we het brede zandstrand van Torre del Mar, blind vertrouwend op het bruggetje over de Río Vélez dat in K.'s navigatieapp staat ingetekend. Dat is echter buiten de werkelijkheid gerekend: met het ontbreken van het onderhavige wandelinfrastructurele kunstwerk is het eerste navigatoire struikelblok, de beenspieren amper opgewarmd, een gegeven. De mogelijkheid om steentjespringend de overkant te bereiken is ons niet gegund; in een vlaag van flagrante overmoed waden door het riviertje – een tikkeltje overgeproportioneerde sloot in feite – zou onze schoenen zonder mededogen herscheppen in aquaria, een garantie voor klappertanden, schrijnende voetzolen en blaren. We besluiten het oeverpad langs de Vélez op te gaan, in de verwachting zo uit te komen bij het punt, vijfhonderd meter landinwaarts, waar de N-340 het water kruist. IJdele hoop: algauw stuiten we op plassen hemelwater zo groot, dat ze, mede door toedoen van de ondoordringbare jungle van suikerrietstengels aan gene zijde van het pad, onmogelijk zijn te passeren. Helemaal terug dus, naar het strand, over het strand, tot een glibberig asfaltweggetje langs de rand van de bebouwde kom van Torre del Mar, waar ik ternauwernood overeind weet te blijven. Maar ten langen leste hebben we, via de brug die de provinciale weg draagt, gevieren de Río Vélez op zijn plek gezet.
Daar waar middenin een moerassig bouwland een verdedigingstoren uit het Moorse tijdperk staat te verpieteren verzilveren we de eerste mogelijkheid linksaf te slaan in een poging terug op het strand te geraken. Het claustrofobische wegje ligt ingeklemd tussen kleinschalige percelen van agrarisch allooi, alle omkaderd door een even divers als slordig muurtjes- en hekwerkenassorti en bewaakt door een of meerdere roofdieren waar de ooit populaire tv-kynoloog Cesar Millan zijn handen vol aan zou hebben. We stuiten op de receptie van een kampeerterrein, de beheerder heeft ons in het snotje en beent onverwijld naar buiten. Hij bejegent ons vriendelijk en in vlekkeloos Engels, doch is tegelijkertijd onverbiddelijk: dit is een nudistencamping, tussen de tenten, sleurhutten en huisjes doorsteken naar het strand is uitgesloten, evenals eromheen lopen; de enige optie is andermaal terug naar de doorgaande weg en verderop een andere afslag nemen. We laten ons het lugubere toegangsweggetje nogmaals welgevallen, zien ons, bij gebrek aan een fiets- of voetpad, genoodzaakt om, zonder in het roestige prikkeldraad ter linkerzijde of in de erfenis van het nachtelijke waterballet ter rechterzijde te vallen, de rand van een zompig akker te bewaggelen en vinden dan, vlak voor de nederzetting Almayate, met als meest prominente bezienswaardigheden een kartingcentrum en een Osborne-stier op de top van een klif, een volgend verhard wegje naar links. Ondertussen hebben we al ruim zes kilometer afgelegd, waarvan driekwart voor de flauwekul, en manifesteren de contouren van Torre del Mar zich nog steeds aan de horizon. Maar het goede nieuws is dat we na een bescheiden klauterpartij eindelijk op het strand staan; go west, luidt het devies.
Onze dagrugzakken ontberen, op een verdwaalde mueslireep na, toereikende voedselvoorraden, erop vertrouwend dat onderweg de keuze reuze zal zijn wat betreft eetgelegenheden. Van de eerste chiringuito die we op ons pad vinden laat de zindelijkheid nogal te wensen over, zodat we hier volstaan met een oppepper van vloeibare snit. De hygiëne en de entourage van de volgende strandtent vallen beter bij ons in de smaak en we strijken hier dan ook neer voor het noenmaal. Gastronomische verwennerette is ons deel; ons doel, te weten lopend ons hotel bereiken, dreigt echter uit het zicht te raken, aangezien het uitserveren van K.'s garnalen vertraging van Deutsche Bahn-achtige proporties oploopt.
Ook de middag verloopt niet bepaald zonder slag of stoot. Onze zware bergpattae zakken diep weg in het zand; we dolen dan ook van links naar rechts en weer terug, super-G'end van de ene bewandelbare postzegel strand naar de andere. Daar waar het strand verstek laat gaan of een amorfe keienhoop de doorgang belemmert, worden we automatisch naar het voetpad langs de verkeersweg geleid, om ter hoogte van een parkeerplaats weer Vamos a la playa aan te kunnen heffen. Een hindernis in de vorm van een verhoogd terras, toebehorend aan een chiringuito die aan het voorportaal der verpaupering staat, wordt slechts met kunst-en-vliegwerk genomen, hiertoe gedwongen door het ontbreken van een ontsnappingsmogelijkheid aan de landzijde.
In het eerstvolgende dorp, Benajarafe, moeten we onze respectievelijke hoofden in de dito schoten leggen: we zijn amper op de helft, en ons rest nog slechts een uur daglicht. We zoeken en vinden een bushalte, alwaar we nog geen vijf minuten later kunnen instappen. In Rincón wacht Pepe's drankkabinet en de warme hap.
Vandaag is er geen programma en bijgevolg wordt eenieder in de gelegenheid gesteld zijns dan wel haars weegs te gaan. Een enkeling zoekt, ondanks de onheilsberichten, vertier en jolijt in de geboortestad van Pablo Picasso, een ander bestijgt het stalen ros, doch het gros stapt in de openbare bus naar Torre del Mar, een op toeristische leest geschoeid oord een stiefe vijftien kilometer verder naar het oosten. Is Rincón al geen parel, Torre del Mar verdient evenmin de schoonheidsprijs met zijn rijke verzameling troosteloze blokkendozen. Terwijl we, met uiteindelijk succes, op zoek zijn naar een barretje, valt er nog een sfeerbuitje, maar een eclatante weersverbetering ligt op de loer en is niet van zins om zich de kaas van het brood te laten eten.
Wandelgezellen K., Y., S. en scribent dezes hebben goesting een duchtig robbertje zachte mobiliteit ten beste te geven, middels het per benenwagen spiegelen van de zo-even genoten busrit – met dien verstande een en ander zo onverhard mogelijk te realiseren en daarbij het zilte nat met aan fundamentalisme grenzende volhardendheid in onze respectievelijke blikvelden te houden. Het kilometrage is ongewis, evenals de potentiële bijdrage van klemmen en voetangels; ergo, enig incasseringsvermogen inzake onaangename verrassingen is key, een mate van flexibiliteit die goed van pas zal blijken te komen. Hoe dan ook is reeds klip en klaar dat er vuile meters gemaakt zullen moeten worden: hier en daar is er tussen de vloedlijn en de drukke doorgaande weg slechts ruimte voor een geasfalteerd wandelpad – ons pad.
De wolken trekken zich schielijk terug, de temperatuur zit in de lift, het humeur is opperbest en de tred is krachtig; onbekommerd volgen we het brede zandstrand van Torre del Mar, blind vertrouwend op het bruggetje over de Río Vélez dat in K.'s navigatieapp staat ingetekend. Dat is echter buiten de werkelijkheid gerekend: met het ontbreken van het onderhavige wandelinfrastructurele kunstwerk is het eerste navigatoire struikelblok, de beenspieren amper opgewarmd, een gegeven. De mogelijkheid om steentjespringend de overkant te bereiken is ons niet gegund; in een vlaag van flagrante overmoed waden door het riviertje – een tikkeltje overgeproportioneerde sloot in feite – zou onze schoenen zonder mededogen herscheppen in aquaria, een garantie voor klappertanden, schrijnende voetzolen en blaren. We besluiten het oeverpad langs de Vélez op te gaan, in de verwachting zo uit te komen bij het punt, vijfhonderd meter landinwaarts, waar de N-340 het water kruist. IJdele hoop: algauw stuiten we op plassen hemelwater zo groot, dat ze, mede door toedoen van de ondoordringbare jungle van suikerrietstengels aan gene zijde van het pad, onmogelijk zijn te passeren. Helemaal terug dus, naar het strand, over het strand, tot een glibberig asfaltweggetje langs de rand van de bebouwde kom van Torre del Mar, waar ik ternauwernood overeind weet te blijven. Maar ten langen leste hebben we, via de brug die de provinciale weg draagt, gevieren de Río Vélez op zijn plek gezet.
Daar waar middenin een moerassig bouwland een verdedigingstoren uit het Moorse tijdperk staat te verpieteren verzilveren we de eerste mogelijkheid linksaf te slaan in een poging terug op het strand te geraken. Het claustrofobische wegje ligt ingeklemd tussen kleinschalige percelen van agrarisch allooi, alle omkaderd door een even divers als slordig muurtjes- en hekwerkenassorti en bewaakt door een of meerdere roofdieren waar de ooit populaire tv-kynoloog Cesar Millan zijn handen vol aan zou hebben. We stuiten op de receptie van een kampeerterrein, de beheerder heeft ons in het snotje en beent onverwijld naar buiten. Hij bejegent ons vriendelijk en in vlekkeloos Engels, doch is tegelijkertijd onverbiddelijk: dit is een nudistencamping, tussen de tenten, sleurhutten en huisjes doorsteken naar het strand is uitgesloten, evenals eromheen lopen; de enige optie is andermaal terug naar de doorgaande weg en verderop een andere afslag nemen. We laten ons het lugubere toegangsweggetje nogmaals welgevallen, zien ons, bij gebrek aan een fiets- of voetpad, genoodzaakt om, zonder in het roestige prikkeldraad ter linkerzijde of in de erfenis van het nachtelijke waterballet ter rechterzijde te vallen, de rand van een zompig akker te bewaggelen en vinden dan, vlak voor de nederzetting Almayate, met als meest prominente bezienswaardigheden een kartingcentrum en een Osborne-stier op de top van een klif, een volgend verhard wegje naar links. Ondertussen hebben we al ruim zes kilometer afgelegd, waarvan driekwart voor de flauwekul, en manifesteren de contouren van Torre del Mar zich nog steeds aan de horizon. Maar het goede nieuws is dat we na een bescheiden klauterpartij eindelijk op het strand staan; go west, luidt het devies.
Onze dagrugzakken ontberen, op een verdwaalde mueslireep na, toereikende voedselvoorraden, erop vertrouwend dat onderweg de keuze reuze zal zijn wat betreft eetgelegenheden. Van de eerste chiringuito die we op ons pad vinden laat de zindelijkheid nogal te wensen over, zodat we hier volstaan met een oppepper van vloeibare snit. De hygiëne en de entourage van de volgende strandtent vallen beter bij ons in de smaak en we strijken hier dan ook neer voor het noenmaal. Gastronomische verwennerette is ons deel; ons doel, te weten lopend ons hotel bereiken, dreigt echter uit het zicht te raken, aangezien het uitserveren van K.'s garnalen vertraging van Deutsche Bahn-achtige proporties oploopt.
Ook de middag verloopt niet bepaald zonder slag of stoot. Onze zware bergpattae zakken diep weg in het zand; we dolen dan ook van links naar rechts en weer terug, super-G'end van de ene bewandelbare postzegel strand naar de andere. Daar waar het strand verstek laat gaan of een amorfe keienhoop de doorgang belemmert, worden we automatisch naar het voetpad langs de verkeersweg geleid, om ter hoogte van een parkeerplaats weer Vamos a la playa aan te kunnen heffen. Een hindernis in de vorm van een verhoogd terras, toebehorend aan een chiringuito die aan het voorportaal der verpaupering staat, wordt slechts met kunst-en-vliegwerk genomen, hiertoe gedwongen door het ontbreken van een ontsnappingsmogelijkheid aan de landzijde.
In het eerstvolgende dorp, Benajarafe, moeten we onze respectievelijke hoofden in de dito schoten leggen: we zijn amper op de helft, en ons rest nog slechts een uur daglicht. We zoeken en vinden een bushalte, alwaar we nog geen vijf minuten later kunnen instappen. In Rincón wacht Pepe's drankkabinet en de warme hap.
Dag 6: Rincón de la Victoria – Torre de Benagalbón – Rincón de la Victoria
Maandag 29 december 2025
Kwam in de eerste helft van onderhavige reis het treurtripgarantiepercentage somtijds al royaal in de dubbele cijfers, 29 december 2025 zal geboekstaafd worden als de datum waarop de eerste Mieke Telkamp-wandeling* op Andalusisch grondgebied ooit** zou plaatsvinden – qua Waarheen, waarvoor welteverstaan. Zelfs als de plechtige klanken van Monuta-banger dezes de beelden van de vandage tippel zouden seconderen, zou een en ander niet beter verdienen dan een roemloos wegzakken in het moeras der vergetelheid.
Bij het verlaten van het hotel wijst ons aller akela K. met ingehouden enthousiasme naar een zalmroze appartementengebouw op positie twee uur, dat zich, gelegen op de top van een heuvel, het in dit geval volkomen misplaatste aplomb van een Alhambra aangemeten heeft. Bedoelde klont beton met ramen is het doel van de klim die aanstaande is. De aan de stijging gelieerde inspanningen worden niet in het minst beloond: geen verweerde stadsmuren, geen eeuwenoude basilieken, geen middeleeuwse kronkelstraatjes of een Moors kasteel; sterker, het thans bekuierde Oost-Rincón heeft nog minder te bieden dan West-Rincón, welk laatstgenoemd stadsdeel we eergisteren verkenden. Met louter flatgebouwen, ommuurde vakantiecomplexen, geparkeerde auto's, hondenuitlaatveldjes en een asfaltplein is het armoe troef, niet meer, doch zeker ook niet minder. De Costa del Sol doet het tweede deel van zijn naam goddank eer aan – we boffen maar.
We draaien driekwart rond het ersatz-Alhambra – te veel eer, ook nu we oog in oog staan met deze brutalistische fortificatie – en volgen dan een spoor door het gras over een parkachtige graat met wat verspreid struweel van de koude grond. Alle middelmatigheid ten spijt mogen we nog een heus natuurgebiedje in de verschijningsvorm van een beekdalletje ontwaren, alvorens we de afdaling inzetten. Via de drooggevallen Arroyo de Benagalbón, ook al geen achtste wereldwonder, bereiken we de chiringuito waar een tafel is besproken voor de lunch. We zijn dermate vroeg dat de keuken nog niet in bedrijf is – ondanks een flinke omweg, teweeggebracht door een onpasseerbaar hek rondom een bouwplaats, plus het feit dat een wandelkompaan in een schamel geproportioneerde wemeling van huizen de verkeerde afslag had genomen en door een passerende motormuis verder het bos in werd gestuurd, waardoor een heuse zoektocht op poten diende te worden gezet, met nog eens een extra halfuur tijdverlies op het schadeformulier. De bediening, bestaande uit de adhd'eske eigenaar en een ondergeschikte die van een afstandje sprekend op Jeroen van Merwijk lijkt, doet ons alvast drankjes en de spijzenkaart toekomen. Er is meer niet dan wel. Maar wat er wel is, in mijn geval een kakelverse vissalade, blijkt, als de kok van dienst eenmaal zijn handen uit de mouwen heeft gestoken, voortreffelijk.
Drie kilometer strandpromenade scheidt me nog van het hotel. Halverwege wil ik de goed geconserveerde overblijfselen van de Romeinse Villa Antiopa uit de derde eeuw bezichtigen, met indrukwekkende mozaïekvloeren als neusjes van de zalm, maar het archeologische museum ervaar ik als onvindbaar – met de kennis van nu omdat het zich schuilhoudt op de begane grond van een representant van het type woonfabriek dat overwegend het stadsgezicht van Rincón bepaalt.
Bij het verlaten van het hotel wijst ons aller akela K. met ingehouden enthousiasme naar een zalmroze appartementengebouw op positie twee uur, dat zich, gelegen op de top van een heuvel, het in dit geval volkomen misplaatste aplomb van een Alhambra aangemeten heeft. Bedoelde klont beton met ramen is het doel van de klim die aanstaande is. De aan de stijging gelieerde inspanningen worden niet in het minst beloond: geen verweerde stadsmuren, geen eeuwenoude basilieken, geen middeleeuwse kronkelstraatjes of een Moors kasteel; sterker, het thans bekuierde Oost-Rincón heeft nog minder te bieden dan West-Rincón, welk laatstgenoemd stadsdeel we eergisteren verkenden. Met louter flatgebouwen, ommuurde vakantiecomplexen, geparkeerde auto's, hondenuitlaatveldjes en een asfaltplein is het armoe troef, niet meer, doch zeker ook niet minder. De Costa del Sol doet het tweede deel van zijn naam goddank eer aan – we boffen maar.
We draaien driekwart rond het ersatz-Alhambra – te veel eer, ook nu we oog in oog staan met deze brutalistische fortificatie – en volgen dan een spoor door het gras over een parkachtige graat met wat verspreid struweel van de koude grond. Alle middelmatigheid ten spijt mogen we nog een heus natuurgebiedje in de verschijningsvorm van een beekdalletje ontwaren, alvorens we de afdaling inzetten. Via de drooggevallen Arroyo de Benagalbón, ook al geen achtste wereldwonder, bereiken we de chiringuito waar een tafel is besproken voor de lunch. We zijn dermate vroeg dat de keuken nog niet in bedrijf is – ondanks een flinke omweg, teweeggebracht door een onpasseerbaar hek rondom een bouwplaats, plus het feit dat een wandelkompaan in een schamel geproportioneerde wemeling van huizen de verkeerde afslag had genomen en door een passerende motormuis verder het bos in werd gestuurd, waardoor een heuse zoektocht op poten diende te worden gezet, met nog eens een extra halfuur tijdverlies op het schadeformulier. De bediening, bestaande uit de adhd'eske eigenaar en een ondergeschikte die van een afstandje sprekend op Jeroen van Merwijk lijkt, doet ons alvast drankjes en de spijzenkaart toekomen. Er is meer niet dan wel. Maar wat er wel is, in mijn geval een kakelverse vissalade, blijkt, als de kok van dienst eenmaal zijn handen uit de mouwen heeft gestoken, voortreffelijk.
Drie kilometer strandpromenade scheidt me nog van het hotel. Halverwege wil ik de goed geconserveerde overblijfselen van de Romeinse Villa Antiopa uit de derde eeuw bezichtigen, met indrukwekkende mozaïekvloeren als neusjes van de zalm, maar het archeologische museum ervaar ik als onvindbaar – met de kennis van nu omdat het zich schuilhoudt op de begane grond van een representant van het type woonfabriek dat overwegend het stadsgezicht van Rincón bepaalt.
*Vrij naar Mieke Telkamp-voetbal, op zijn beurt gemunt door verslaggever John Nijssen in De Stem van 4 december 1997.
**Reis in kwestie wordt voor het eerst uitgevoerd.
Dag 7: Rincón de la Victoria – Málaga – Rincón de la Victoria
Dinsdag 30 december 2025
Terwijl in een collega-koninkrijk aan de Noordzee de schappen met Koopmans' oliebollenmix allengs leger en leger raken, toeven wij voor de tweede dag in successie in een verstedelijkte omgeving – maar vermoedelijk wel een interessantere dan die van Rincón, te weten die van Málaga. Ofschoon havenstad dezes bij lange na niet het architectonische patrimonium bezit van een Granada, een Córdoba of een Sevilla, is het ontegenzeglijk in opkomst als vakantiebestemming op zich, in plaats van louter een doorgeefluik tussen het Spaanse luchtruim en de populaire badplaatsen aan de Méditerranée. Het centrum herbergt dan ook een aantal bezienswaardigheden die een bezoek legitimeren, naast een handvol boeiende musea, waaronder dat van een reeds gememoreerde, zeer prominente kubist, wiens wieg hier stond. Voor een langswippen bij een kunsttentoonstelling van het een of ander zou de lokroep van de onbelemmerd schijnende zon echter te luid blijken.
Uitingen van het kerstgevoel zijn doorgaans relatief sober in Spanje, maar Málaga pleegt daarentegen uit te pakken rond de feestdagen, onder meer met kerststallen in allerhande soorten en maten, en een overvloedig opgesmukte voetgangerszone; na zonsondergang slaan des Málaga's slimme energiemeters eensgezind op tilt zodra de kerstverlichting wordt aangezwengeld.
K. heeft het tellen der koppen nog niet in de grondverf gezet, of ik zonder me al af van de groep – zo rolt scribent dezes te midden van de metaforische bakstenen. Vooraleerst maak ik kennis met Soho, een gewezen Vogelaarwijk waar galeries, ateliers, microbrouwerijtjes, hip-ende-happeninge horecae, foodiemekkae en yuppen-A.C. Tions hun respectievelijke intrek hebben genomen. De door influencers beloofde streetart is schaarser dan gehoopt en het centrum voor moderne kunst zit middenin een verbouwing; ik word ten dele schadeloosgesteld door tato's en ironisch gedragen onesies. Na onderhavige treurtrip in ruste sla ik links- dan wel rechtsaf op een opeenvolging van kruisingen en driesprongen, en bekijk daarbij onder meer de markthal – met als klapstuk een reusachtig glas-in-loodraam met Málacitaanse (als in uit Málaga) tafereeltjes –, de kathedraal en de hoofdwinkelstraat met uitbundige kerstversieringen en modezaken voor de bovenmodaal gesitueerden, en negeer de rij wachtenden voor het Picassomuseum.
Een even tussen-de-middags als huisbelegd baguettetje stelt me in staat de hoogtemeters te overwinnen waarmee het Castillo de Gibralfaro zich boven zeeniveau verheft. Waar het veertiende-eeuwse kasteel in tijden van weleer de schone taak had het lager gelegen Moorse fort rugdekking te geven, biedt het vandaag een niet nader te noemen dagjesmens de gelegenheid zich betoverd te vergapen aan de stad die zich in droneperspectief aan hem ontsluit. Ik daal af onderlangs de ommuurde corridor die beide monumentale verdedigingswerken met elkaar verbindt, doorheen terrasvormig aangelegde, subtropische tuinen, slenter in de volle zon langs de haven en keer via een uitgestrekt, schaduwrijk palmenpark terug naar het historische centrum. In laatstgenoemde groenvoorziening worden mijn trommelvliezen voor het eerst deze vakantie in stelling gebracht door vuurwerk – het handelt hier om de onschuldige knalerwt, dit in schril contrast met de Scud-raketten waarmee de Nederlandse goegemeente het jaar feestelijk pleegt af te sluiten. Het gouden uurtje is aangebroken: een adembenemend strijklicht valt over de Arabische burcht – Alcazaba geheten, een verbastering van kashba – en het Romeinse theater aan de voet ervan. Ook de kathedraal – die overigens een enkel voor de goede verstaander opvallende overeenkomst met ons hotel aan de dag legt, in die zin dat wegens geldgebrek voltooiing nimmer heeft plaatsgehad – baadt in een zachtoranje gloed.
Rond Sesamstraat-tijd rijden we terug naar Rincón.
Uitingen van het kerstgevoel zijn doorgaans relatief sober in Spanje, maar Málaga pleegt daarentegen uit te pakken rond de feestdagen, onder meer met kerststallen in allerhande soorten en maten, en een overvloedig opgesmukte voetgangerszone; na zonsondergang slaan des Málaga's slimme energiemeters eensgezind op tilt zodra de kerstverlichting wordt aangezwengeld.
K. heeft het tellen der koppen nog niet in de grondverf gezet, of ik zonder me al af van de groep – zo rolt scribent dezes te midden van de metaforische bakstenen. Vooraleerst maak ik kennis met Soho, een gewezen Vogelaarwijk waar galeries, ateliers, microbrouwerijtjes, hip-ende-happeninge horecae, foodiemekkae en yuppen-A.C. Tions hun respectievelijke intrek hebben genomen. De door influencers beloofde streetart is schaarser dan gehoopt en het centrum voor moderne kunst zit middenin een verbouwing; ik word ten dele schadeloosgesteld door tato's en ironisch gedragen onesies. Na onderhavige treurtrip in ruste sla ik links- dan wel rechtsaf op een opeenvolging van kruisingen en driesprongen, en bekijk daarbij onder meer de markthal – met als klapstuk een reusachtig glas-in-loodraam met Málacitaanse (als in uit Málaga) tafereeltjes –, de kathedraal en de hoofdwinkelstraat met uitbundige kerstversieringen en modezaken voor de bovenmodaal gesitueerden, en negeer de rij wachtenden voor het Picassomuseum.
Een even tussen-de-middags als huisbelegd baguettetje stelt me in staat de hoogtemeters te overwinnen waarmee het Castillo de Gibralfaro zich boven zeeniveau verheft. Waar het veertiende-eeuwse kasteel in tijden van weleer de schone taak had het lager gelegen Moorse fort rugdekking te geven, biedt het vandaag een niet nader te noemen dagjesmens de gelegenheid zich betoverd te vergapen aan de stad die zich in droneperspectief aan hem ontsluit. Ik daal af onderlangs de ommuurde corridor die beide monumentale verdedigingswerken met elkaar verbindt, doorheen terrasvormig aangelegde, subtropische tuinen, slenter in de volle zon langs de haven en keer via een uitgestrekt, schaduwrijk palmenpark terug naar het historische centrum. In laatstgenoemde groenvoorziening worden mijn trommelvliezen voor het eerst deze vakantie in stelling gebracht door vuurwerk – het handelt hier om de onschuldige knalerwt, dit in schril contrast met de Scud-raketten waarmee de Nederlandse goegemeente het jaar feestelijk pleegt af te sluiten. Het gouden uurtje is aangebroken: een adembenemend strijklicht valt over de Arabische burcht – Alcazaba geheten, een verbastering van kashba – en het Romeinse theater aan de voet ervan. Ook de kathedraal – die overigens een enkel voor de goede verstaander opvallende overeenkomst met ons hotel aan de dag legt, in die zin dat wegens geldgebrek voltooiing nimmer heeft plaatsgehad – baadt in een zachtoranje gloed.
Rond Sesamstraat-tijd rijden we terug naar Rincón.
Dag 8: Rincón de la Victoria – Arroyo Granadilla – Rincón de la Victoria
Woensdag 31 december 2025
De bedekkingsgraad van het uitspansel kietelt de nulwaarde, waardoor de koperen ploert zelfs op de laatste dag van het jaar nog een volle werkdag voor de spreekwoordelijke boeg heeft. Andermaal is de Arroyo Granadilla een rol toebedeeld, met als gevolg dat we met een uitgedund gezelschap op pad gaan – anderen kan onderhavig landschapselement inmiddels gestolen worden en geven de voorkeur aan een fietstocht, een weerzien met Málaga of anders ingevulde quality time. Scribent dezes strijkt daarentegen met de hand over het hart en geeft het wandelprogramma nog een kans, een vermetel staaltje coulance dat na anderhalve kilometer wandelcorvee door de droge rivierbedding en een steile klim loon naar werken oplevert: een alleraardigst, open heuvelland met lage begroeiing en her en der wat trosjes geboomte. Op hoogte cirkelen we rond een keteldalletje en in de daaropvolgende afdaling vinden we een plek met uitzicht op de kust waar we ons loopvoer aanwenden en geruime tijd rusten. De stilte wordt nu en dan slechts doorbroken door het gekwinkeleer van deze of gene gevleugelde vriend en/of het ingewandgeborrel van de gids.
Met de buikjes rond lichten we het anker, gaan we verder bergafwaarts en bereiken we algauw de bewoonde wereld. Recht voor ons tracht de zee ons af te leiden van honden van allerhande ras en formaat die ons toeblaffen, uitblaffen en nablaffen vanachter manshoge hekken en dito muren. Je zou je haast gaan afvragen of er soms een asielzoekerscentrum in de buurt is. Voor de laatste keer penetreren we de Arroyo Granadilla – een afscheid zonder tranen. De namiddag verbeid ik al lezend en met een drankje in de lobby, vermits de Bananenbar, waar naar zeggen tout Rincón zich zou moeten ophouden ter inluiding van het nieuwe jaar, taal noch teken geeft.
Ter gelegenheid van Oudjaarsdag komt er een extra deftig lopend buffet ter tafel. Bovendien worden er zakjes met elk twaalf druiven uitgereikt, ten behoeve van een stukje participatie naar de inboorlingen toe: op 31 december is het een Spaanse traditie om op middernacht bij elke klokslag een druif te eten, een voor elke maand van het nakende jaar. Degene die het tempo van de klok kan bijbenen zou conform de overlevering een voorspoedig jaar wachten. Ofschoon de introductie van de pitloze druif onderhavige opdracht van zijn uitdagende karakter heeft beroofd en de werkdruk van Vrouwe Fortuna navenant heeft verhoogd, is het niettemin een aardige gewoonte – hoe dan ook vredelievender dan het agressief bejegenen van hulpverleners in functie.
Met de verwarming op standje Burgers' Bush – en vanwege de non-existentie van een oudejaarsconference door Pedro Panqueque – ontaardt de avond in een verwoede Skip-Bo-marathon. Op gezette tijden neemt deze of gene poolshoogte bij de Bananenbar, maar aldaar blijft feestgedruis uit. De jaarwisseling wordt, naast het reeds gememoreerde druivenspektakel, opgeluisterd door een bekertje champagne op het strand, terwijl aan de straatzijde een vuurwerkpijl of drie het luchtruim kiest.
Met de buikjes rond lichten we het anker, gaan we verder bergafwaarts en bereiken we algauw de bewoonde wereld. Recht voor ons tracht de zee ons af te leiden van honden van allerhande ras en formaat die ons toeblaffen, uitblaffen en nablaffen vanachter manshoge hekken en dito muren. Je zou je haast gaan afvragen of er soms een asielzoekerscentrum in de buurt is. Voor de laatste keer penetreren we de Arroyo Granadilla – een afscheid zonder tranen. De namiddag verbeid ik al lezend en met een drankje in de lobby, vermits de Bananenbar, waar naar zeggen tout Rincón zich zou moeten ophouden ter inluiding van het nieuwe jaar, taal noch teken geeft.
Ter gelegenheid van Oudjaarsdag komt er een extra deftig lopend buffet ter tafel. Bovendien worden er zakjes met elk twaalf druiven uitgereikt, ten behoeve van een stukje participatie naar de inboorlingen toe: op 31 december is het een Spaanse traditie om op middernacht bij elke klokslag een druif te eten, een voor elke maand van het nakende jaar. Degene die het tempo van de klok kan bijbenen zou conform de overlevering een voorspoedig jaar wachten. Ofschoon de introductie van de pitloze druif onderhavige opdracht van zijn uitdagende karakter heeft beroofd en de werkdruk van Vrouwe Fortuna navenant heeft verhoogd, is het niettemin een aardige gewoonte – hoe dan ook vredelievender dan het agressief bejegenen van hulpverleners in functie.
Met de verwarming op standje Burgers' Bush – en vanwege de non-existentie van een oudejaarsconference door Pedro Panqueque – ontaardt de avond in een verwoede Skip-Bo-marathon. Op gezette tijden neemt deze of gene poolshoogte bij de Bananenbar, maar aldaar blijft feestgedruis uit. De jaarwisseling wordt, naast het reeds gememoreerde druivenspektakel, opgeluisterd door een bekertje champagne op het strand, terwijl aan de straatzijde een vuurwerkpijl of drie het luchtruim kiest.
Dag 9: Rincón de la Victoria – Valdés – Rincón de la Victoria
Donderdag 1 januari 2026
Ondanks dat we met enig uitstel de zure lappen hebben verruild voor het ontbijtbuffet en derhalve ook later zijn vertrokken, is Valdés nog in een nieuwjaarssluimer gedompeld zodra we aldaar arriveren. Zulks doet tevens opgeld voor de weergoden: terwijl Pluvius, Aeolus en de hunnen hun roes uitslapen, laten ze de Bob Ross onder hun playlists, "Saaie, haringgrijze wolkendekken", de spreekwoordelijke kastanjes uit het dito vuur halen.
El Valdés, Valdés voor intimi, schreeuwt het niet bepaald van de menigkleurige daken, maar het geniet enige bekendheid onder zekere alwetenden vanwege de invloed van ingezetene Antonio Montañez Lisbona, die zich tot bijna-voornaamgenoot Antoni Gaudí verhoudt als Georgie Davis tot Stevie Wonder. Montañez' vermoeienissen, onmiskenbaar geïnspireerd door de iconische stijl van de even legendarische als Catalaanse architect, hebben onder meer geleid tot een kakelbont kerkje en een roedel met fleurige mozaïeken behepte wanden en zitbanken die in de tweede stad van Spanje met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geen slecht figuur zouden slaan. Onderhavige krachtsinspanning voor onze respectievelijke kegeltjes wordt verder gevoed door een diversiteit aan gehaakte kerstballen die boven onze hoofden dansen in een bescheiden zeebries.
Na enig dwalen doorheen dit poor man's Barcelona dalen we onmiddellijk af door een slordig beekdalletje dat deels is drooggevallen, doch tijdens zware regenval vermoedelijk in een poep en een scheet zal transformeren tot een eldorado voor raftgekkies. Deze zogenoemde Arroyo de Benagalbón komt, zoals de naam reeds doet vermoeden, uit in Benagalbón, ook al zo'n pittoresk dorpje dat om onopgehelderde redenen tot op de dag van vandaag aan de aandacht van de Kampioen-redactie is ontsnapt; op een intiem pleintje doen we een gulle greep in onze mondvoorraad, terwijl even verderop, onder de rook van het plaatselijke gebedshuis, luidsprekertjes de lucht auditief bezwangeren met kerstliederen.
Een klim brengt ons naar de bergkam met de tippelzonerotonde die ook op de eerste wandeldag in de route was opgenomen. Met de daaropvolgende afdaling rechtstreeks naar de terrassen aan het strand van Rincón is de cirkel zogezegd rond.
El Valdés, Valdés voor intimi, schreeuwt het niet bepaald van de menigkleurige daken, maar het geniet enige bekendheid onder zekere alwetenden vanwege de invloed van ingezetene Antonio Montañez Lisbona, die zich tot bijna-voornaamgenoot Antoni Gaudí verhoudt als Georgie Davis tot Stevie Wonder. Montañez' vermoeienissen, onmiskenbaar geïnspireerd door de iconische stijl van de even legendarische als Catalaanse architect, hebben onder meer geleid tot een kakelbont kerkje en een roedel met fleurige mozaïeken behepte wanden en zitbanken die in de tweede stad van Spanje met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geen slecht figuur zouden slaan. Onderhavige krachtsinspanning voor onze respectievelijke kegeltjes wordt verder gevoed door een diversiteit aan gehaakte kerstballen die boven onze hoofden dansen in een bescheiden zeebries.
Na enig dwalen doorheen dit poor man's Barcelona dalen we onmiddellijk af door een slordig beekdalletje dat deels is drooggevallen, doch tijdens zware regenval vermoedelijk in een poep en een scheet zal transformeren tot een eldorado voor raftgekkies. Deze zogenoemde Arroyo de Benagalbón komt, zoals de naam reeds doet vermoeden, uit in Benagalbón, ook al zo'n pittoresk dorpje dat om onopgehelderde redenen tot op de dag van vandaag aan de aandacht van de Kampioen-redactie is ontsnapt; op een intiem pleintje doen we een gulle greep in onze mondvoorraad, terwijl even verderop, onder de rook van het plaatselijke gebedshuis, luidsprekertjes de lucht auditief bezwangeren met kerstliederen.
Een klim brengt ons naar de bergkam met de tippelzonerotonde die ook op de eerste wandeldag in de route was opgenomen. Met de daaropvolgende afdaling rechtstreeks naar de terrassen aan het strand van Rincón is de cirkel zogezegd rond.
Dag 10: Rincón de la Victoria – Málaga – Amsterdam – Alverna
Vrijdag 2 januari 2026
Klokslag 7.00 uur worden we per bus naar de luchthaven van Málaga getransfereerd, door het hotel voorzien van een meeneemontbijt bestaande uit twee minidonuts, een pakje ananassap en de even traditionele als gevreesde witte boterham. Ter plaatse blijkt al snel dat het advies om drie uur voor de vlucht aanwezig te zijn zonder meer in de wind geslagen had kunnen worden: een mannetje staat de Transavia- en belendende incheckbalies nog een sopje te geven. Na dit moment van relatieve opwinding valt er een stief uur hoegenaamd geen enkele activiteit van het dienstdoende personeel te bespeuren.
Eenmaal aan gene zijde van de veiligheidscontrole begint de Schiphol-app allerhande onheilsberichten uit te spugen: een combinatie van winterse ongemakken en een flatulente Aeolus ter hoogte van onze nationale luchthaven laat een niet te veronachtzamen resem vertragingen zich als een olievlek over het Avondland verspreiden en noopt ons de horeca te AGP duchtig te spekken. Zodra alle passagiers de hun toegewezen vliegtuigstoel hebben ingenomen, weet de gezagvoerder te melden dat toestemming vanuit de Mokumer verkeerstoren om het ruime sop te kiezen nog zeker een kleine anderhalf uur op zich zal laten wachten; met de collectieve zucht die bij wijze van repliek door het toestel waart zou een Airbus A380 kunnen worden gede-iced. Ten langen leste worden om 14.15 uur, een volle werkdag na het weksignaal van mijn mobilette, de motoren aangezwengeld.
We dalen. De Zeeuwse eilanden smoelen nog immer groen, de bijna volle maan waakt over spannende bloemkoolwolken, die gedompeld zijn in een gloed zo intens oranje-roze dat deze tint uit de koker van Jan des Bouvrie had kunnen komen. Teneinde Schiphol in westelijke richting te kunnen benaderen worden we vergast op een deftige rondvlucht boven hartje Amsterdam, al zal de grachtengordelpopulatie een andere mening dienaangaande zijn toegedaan. Klokke vijf zet de kist voet aan de grond, waarna het vaderlandse wegennet zich als te doen gebruikelijk blijkt te laten berijden – een meevaller, vermits ik de volgende ochtend wakker word in een witte wereld.
Eenmaal aan gene zijde van de veiligheidscontrole begint de Schiphol-app allerhande onheilsberichten uit te spugen: een combinatie van winterse ongemakken en een flatulente Aeolus ter hoogte van onze nationale luchthaven laat een niet te veronachtzamen resem vertragingen zich als een olievlek over het Avondland verspreiden en noopt ons de horeca te AGP duchtig te spekken. Zodra alle passagiers de hun toegewezen vliegtuigstoel hebben ingenomen, weet de gezagvoerder te melden dat toestemming vanuit de Mokumer verkeerstoren om het ruime sop te kiezen nog zeker een kleine anderhalf uur op zich zal laten wachten; met de collectieve zucht die bij wijze van repliek door het toestel waart zou een Airbus A380 kunnen worden gede-iced. Ten langen leste worden om 14.15 uur, een volle werkdag na het weksignaal van mijn mobilette, de motoren aangezwengeld.
We dalen. De Zeeuwse eilanden smoelen nog immer groen, de bijna volle maan waakt over spannende bloemkoolwolken, die gedompeld zijn in een gloed zo intens oranje-roze dat deze tint uit de koker van Jan des Bouvrie had kunnen komen. Teneinde Schiphol in westelijke richting te kunnen benaderen worden we vergast op een deftige rondvlucht boven hartje Amsterdam, al zal de grachtengordelpopulatie een andere mening dienaangaande zijn toegedaan. Klokke vijf zet de kist voet aan de grond, waarna het vaderlandse wegennet zich als te doen gebruikelijk blijkt te laten berijden – een meevaller, vermits ik de volgende ochtend wakker word in een witte wereld.






















