Tal Talk
Wandelend stroomafwaarts langs de Altmühl
Ofschoon ik mijzelf weinig bescheiden meen te moeten kwalificeren als wandelende atlas en ik telkenmale mijn handen even hoofdschuddend als piepjankend ten hemel hef bij het aanschouwen van het beschamende geworstel van kandidaten bij De slimste mens met vragen van topografisch allooi, moet ik bekennen dat tot luttele maanden geleden het riviertje de Altmühl steevast mijn kruimeldief der kennis wist te ontlopen. Het bestaan van onderhavige zijtak van de Donau kwam aan het licht toen mijn oog viel op een naar het zich liet aanzien aantrekkelijk wandelarrangement met een glansrol voor de Altmühltal-Panoramaweg. Zo gezegd, zo geboekt en ten langen leste tevens gedaan.
De Altmühl ontspringt nabij Ansbach (geboorteplaats van zowel de ontdekker van de E. coli-bacterie als het BiFi-worstje (voor zover bekend geen oorzakelijk verband), en schouwtoneel van diverse bomaanslagen), stroomt aanvankelijk zuidoostwaarts en slingert vervolgens in oostelijke richting dwars door Centraal-Beieren. Haar traject voert hoofdzakelijk door een schilderachtig dal, dat deels, als ware het een gespreid bedje, reeds door de proto-Donau was uitgesleten. De benedenloop valt sedert enkele tientallen jaren samen met het Main-Donaukanaal, waarna de gecombineerde waterwegen ter hoogte van Kelheim ten slotte eendrachtig uitmonden in de Donau. Het water van de Altmühl heeft dan 227 kilometer in de spreekwoordelijke benen, en nog een slordige 2.400 kilometer voor de boeg alvorens het zonder toeters en bellen opgenomen wordt in de Zwarte Zee.
In het Juratijdperk, nog ver voordat de oer-Donau het vuile werk voor de tegenwoordige Altmühl opknapte, lag het gebied onder de waterspiegel van een ondiepe, subtropische zee, bevolkt door ammonieten, krokodillen en killervissen. Op het vasteland en in het luchtruim ontloken de dinosauriërs en maakte de archaeopteryx zijn opwachting, de oudst bekende vogel. De bloeiperiode van gememoreerde schepsels kwam abrupt ten einde toen een ruimterots insloeg bij het Yucatán-schiereiland; de kadavers zakten naar de zeebodem en werden nadien in de hoedanigheid van fossielen geconserveerd in de dikke lagen kalksteen die aldaar werden gevormd.
Nu het gesteente aan de oppervlakte is gekomen, is het Altmühltal een Toetanchamon-eske schatkamer voor amateur- en professionele paleontologen. Met name de Solnhofener Plattenkalk, rond Solnhofen en Eichstätt, is een wereldvermaarde vindplaats van zeer gedetailleerde fossielen. Daarnaast wordt in omgeving in kwestie kalksteen gewonnen in legio groeves, onder meer ten behoeve van de huizenbouw, beeldhouwkunst en opleuking van gevels en bestrating. Niet het minst brengt de kalksteen menig wandelaar en andere passanten in vervoering, in de vorm van grillige rotsformaties die het dal her en der sieren.
De Altmühltal-Panoramaweg is twintig jaar geleden uitgezet en werd niet lang daarna uitgeroepen tot de mooiste wandelroute van Duitsland, een eer overigens die het gros der Duitse wandelpaden ooit te beurt is gevallen. Waar de meeste recreanten, zoals daar zijn fietsers en kanoërs, veroordeeld zijn tot de dalbodem, loodsen de opvallende geel-rode markeringen van de route de gebruiker voortdurend ook langs de hellingen en de plateaurand – een en ander teneinde de toegezegde panorama's te kunnen bieden. Vermits de hoogvlakte zich circa 125 meter boven de Altmühl verheft, ziet de wandelaar zich twee à drie keer per dagetappe met het equivalent van de beklimming van een beperkt uitschuifbare Utrechtse Domtoren geconfronteerd.
Ook de belofte van een weg, die schijnbaar in de naam van de zogeheten Top-Trail bestorven ligt, wordt waargemaakt: de verkeersrijke "Asfaltmühl" verbindt, net als een parallel aan het riviertje lopende spoorlijn, tal van dorpjes en stadjes met elkaar. Onder andere Pappenheim, Eichstätt, Beilngries en Riedenburg zijn het aanzien alleszins waard, met hun middeleeuwse versterkingen, hooggelegen burchten, fraaie kerken en sfeervolle pleintjes waar de Kaffee und Kuchen als zoete broodjes over des Konditoreis toonbank gaan. Kortom, anders dan bij collega-Wege und -Steige is op de Altmühltal-Panoramaweg de handel en wandel van de mens nooit ver weg, met de voor- en nadelen die daarmee gepaard plegen te gaan.
De Altmühl ontspringt nabij Ansbach (geboorteplaats van zowel de ontdekker van de E. coli-bacterie als het BiFi-worstje (voor zover bekend geen oorzakelijk verband), en schouwtoneel van diverse bomaanslagen), stroomt aanvankelijk zuidoostwaarts en slingert vervolgens in oostelijke richting dwars door Centraal-Beieren. Haar traject voert hoofdzakelijk door een schilderachtig dal, dat deels, als ware het een gespreid bedje, reeds door de proto-Donau was uitgesleten. De benedenloop valt sedert enkele tientallen jaren samen met het Main-Donaukanaal, waarna de gecombineerde waterwegen ter hoogte van Kelheim ten slotte eendrachtig uitmonden in de Donau. Het water van de Altmühl heeft dan 227 kilometer in de spreekwoordelijke benen, en nog een slordige 2.400 kilometer voor de boeg alvorens het zonder toeters en bellen opgenomen wordt in de Zwarte Zee.
In het Juratijdperk, nog ver voordat de oer-Donau het vuile werk voor de tegenwoordige Altmühl opknapte, lag het gebied onder de waterspiegel van een ondiepe, subtropische zee, bevolkt door ammonieten, krokodillen en killervissen. Op het vasteland en in het luchtruim ontloken de dinosauriërs en maakte de archaeopteryx zijn opwachting, de oudst bekende vogel. De bloeiperiode van gememoreerde schepsels kwam abrupt ten einde toen een ruimterots insloeg bij het Yucatán-schiereiland; de kadavers zakten naar de zeebodem en werden nadien in de hoedanigheid van fossielen geconserveerd in de dikke lagen kalksteen die aldaar werden gevormd.
Nu het gesteente aan de oppervlakte is gekomen, is het Altmühltal een Toetanchamon-eske schatkamer voor amateur- en professionele paleontologen. Met name de Solnhofener Plattenkalk, rond Solnhofen en Eichstätt, is een wereldvermaarde vindplaats van zeer gedetailleerde fossielen. Daarnaast wordt in omgeving in kwestie kalksteen gewonnen in legio groeves, onder meer ten behoeve van de huizenbouw, beeldhouwkunst en opleuking van gevels en bestrating. Niet het minst brengt de kalksteen menig wandelaar en andere passanten in vervoering, in de vorm van grillige rotsformaties die het dal her en der sieren.
De Altmühltal-Panoramaweg is twintig jaar geleden uitgezet en werd niet lang daarna uitgeroepen tot de mooiste wandelroute van Duitsland, een eer overigens die het gros der Duitse wandelpaden ooit te beurt is gevallen. Waar de meeste recreanten, zoals daar zijn fietsers en kanoërs, veroordeeld zijn tot de dalbodem, loodsen de opvallende geel-rode markeringen van de route de gebruiker voortdurend ook langs de hellingen en de plateaurand – een en ander teneinde de toegezegde panorama's te kunnen bieden. Vermits de hoogvlakte zich circa 125 meter boven de Altmühl verheft, ziet de wandelaar zich twee à drie keer per dagetappe met het equivalent van de beklimming van een beperkt uitschuifbare Utrechtse Domtoren geconfronteerd.
Ook de belofte van een weg, die schijnbaar in de naam van de zogeheten Top-Trail bestorven ligt, wordt waargemaakt: de verkeersrijke "Asfaltmühl" verbindt, net als een parallel aan het riviertje lopende spoorlijn, tal van dorpjes en stadjes met elkaar. Onder andere Pappenheim, Eichstätt, Beilngries en Riedenburg zijn het aanzien alleszins waard, met hun middeleeuwse versterkingen, hooggelegen burchten, fraaie kerken en sfeervolle pleintjes waar de Kaffee und Kuchen als zoete broodjes over des Konditoreis toonbank gaan. Kortom, anders dan bij collega-Wege und -Steige is op de Altmühltal-Panoramaweg de handel en wandel van de mens nooit ver weg, met de voor- en nadelen die daarmee gepaard plegen te gaan.
Dag 1: Alverna – Nijmegen – Boppard
Maandag 19 mei 2025
De Vlaamstalige deerne die in mijn hoogbejaarde, naar een kaartupdate snakkende TomTom woonachtig is heeft het nodige te stellen met de zich van zijn chauffeursbesognes kwijtende scribent dezes: alle rekenvaardigheden van eerstgenoemde dienen te worden aangewend als ik op Dreieck Mönchengladbach-Wanlo een faux pas maak qua uitvoegen en dientengevolge oog in oog sta met werkelijk alle wegafsluitingen rond de danig uit de kluiten gewassen knikkerput die bruinkoolgroeve Garzweiler is.
Wekenlang had ik me zitten verkneukelen om 'm bij het binnenrijden van de bebouwde kom van onze tussenbestemming met Rotterdamse tongval te kunnen maken, doch wandelkompaan M. is me juist voor.
"Hallo, Boppard!"
Het stadje, 7.500 zielen schoon aan de haak en een van de bewerelderfgoede kroonjuwelen aan hetgeen in de toeristische sector de Romantische Rijn wordt genoemd, is wat betreft infrastructurele werken een poor man's Tokio, ingegeven door de beperkte ruimte die door enerzijds de rivier en anderzijds de steilrand wordt geboden. Spoorlijnen, op- en afritten en kurkentrekkervormige wegvakken buitelen over elkaar heen, de navigatiemevrouw andermaal tot wanhoop drijvend. Ten slotte vinden we een parkeergarage in de relatieve nabijheid van ons prettig oubollige hotel aan de Rijnpromenade.
Anticiperend op een potentieel tekort aan groente gedurende onderhavige vakantie gebruiken we een caesarsalade aan een zonovergoten tafeltje met uitzicht op het water en de aanpalende modelspoorbaan op ware grootte. Rondvaartboten, containertreinen en straaljagers glijden met overeenstemmend decibellage voorbij – dit doet op gezette tijden tevens opgeld voor een kiepwagen; getuige wegwerkzaamheden aan de boulevard bereidt Boppard zich voor op het nakende hoogseizoen.
Voor zover er al van enige bezetting sprake is, zijn de bankjes aan de Rijnoever, de terrasjes op het marktplein, de winkelstraten en de Biergartens het exclusieve domein van met mobiliteitsondersteunende hulpmiddelen geoutilleerde zestigplussers – totdat wij ons onder hen begeven. We bekijken de hangplek annex hondenuitlaatplaats die in vroeger tijden dienstdeed als Romeinse stadsmuur, vinken enige andere bezienswaardigheden af en flaneren vervolgens stroomafwaarts langs de Rijn, in de richting van een wufte U-bocht in de rivierloop, gesandwicht door een handvol riante optrekjes en hellingen vol wijnranken. Een klettersteig, alsmede de stoeltjeslift naar de zogenoemde Vierseenblick laten we links liggen, ten faveure van een Biergarten waar de muziekvoorkeur van poedelrock meets jodelschlager meets dialectpop ons noopt ons verblijf aldaar tot één consumptie te beperken. Aanmerkelijk senanger voelen we ons op een enigszins verscholen terras in een achterafstraatje waar menig wandelaar en tout hip Boppard aanschuiven. Na een halve liter weizen kuieren we naar de markt, waar het openluchtgedeelte van een zekere gelegenheid is ingesloten door niet minder dan zes borden waarop verse asperges in alle mogelijke en onmogelijke bereidingen worden aangeprezen.
"We gaan zo sluiten," verkondigt de waard.
Met de respectievelijke staarten tussen de dito benen keren we onverrichter zake terug naar het voornoemde zijstraatje, waar ons tafeltje nog vrij is. In een gemoedelijke, vroegzomerse sfeer spoelen we een loempia Boppard-style, overdadig gevuld met schnitzel, uien en kaas, weg met een riesling. We zetten de spijs aan tot verteren middels een ommetje langs de etalages en galeries, waar de wanstaltigheid en het blingblinggehalte van de uitgestalde hebbedingen elke beschrijving tarten.
Wekenlang had ik me zitten verkneukelen om 'm bij het binnenrijden van de bebouwde kom van onze tussenbestemming met Rotterdamse tongval te kunnen maken, doch wandelkompaan M. is me juist voor.
"Hallo, Boppard!"
Het stadje, 7.500 zielen schoon aan de haak en een van de bewerelderfgoede kroonjuwelen aan hetgeen in de toeristische sector de Romantische Rijn wordt genoemd, is wat betreft infrastructurele werken een poor man's Tokio, ingegeven door de beperkte ruimte die door enerzijds de rivier en anderzijds de steilrand wordt geboden. Spoorlijnen, op- en afritten en kurkentrekkervormige wegvakken buitelen over elkaar heen, de navigatiemevrouw andermaal tot wanhoop drijvend. Ten slotte vinden we een parkeergarage in de relatieve nabijheid van ons prettig oubollige hotel aan de Rijnpromenade.
Anticiperend op een potentieel tekort aan groente gedurende onderhavige vakantie gebruiken we een caesarsalade aan een zonovergoten tafeltje met uitzicht op het water en de aanpalende modelspoorbaan op ware grootte. Rondvaartboten, containertreinen en straaljagers glijden met overeenstemmend decibellage voorbij – dit doet op gezette tijden tevens opgeld voor een kiepwagen; getuige wegwerkzaamheden aan de boulevard bereidt Boppard zich voor op het nakende hoogseizoen.
Voor zover er al van enige bezetting sprake is, zijn de bankjes aan de Rijnoever, de terrasjes op het marktplein, de winkelstraten en de Biergartens het exclusieve domein van met mobiliteitsondersteunende hulpmiddelen geoutilleerde zestigplussers – totdat wij ons onder hen begeven. We bekijken de hangplek annex hondenuitlaatplaats die in vroeger tijden dienstdeed als Romeinse stadsmuur, vinken enige andere bezienswaardigheden af en flaneren vervolgens stroomafwaarts langs de Rijn, in de richting van een wufte U-bocht in de rivierloop, gesandwicht door een handvol riante optrekjes en hellingen vol wijnranken. Een klettersteig, alsmede de stoeltjeslift naar de zogenoemde Vierseenblick laten we links liggen, ten faveure van een Biergarten waar de muziekvoorkeur van poedelrock meets jodelschlager meets dialectpop ons noopt ons verblijf aldaar tot één consumptie te beperken. Aanmerkelijk senanger voelen we ons op een enigszins verscholen terras in een achterafstraatje waar menig wandelaar en tout hip Boppard aanschuiven. Na een halve liter weizen kuieren we naar de markt, waar het openluchtgedeelte van een zekere gelegenheid is ingesloten door niet minder dan zes borden waarop verse asperges in alle mogelijke en onmogelijke bereidingen worden aangeprezen.
"We gaan zo sluiten," verkondigt de waard.
Met de respectievelijke staarten tussen de dito benen keren we onverrichter zake terug naar het voornoemde zijstraatje, waar ons tafeltje nog vrij is. In een gemoedelijke, vroegzomerse sfeer spoelen we een loempia Boppard-style, overdadig gevuld met schnitzel, uien en kaas, weg met een riesling. We zetten de spijs aan tot verteren middels een ommetje langs de etalages en galeries, waar de wanstaltigheid en het blingblinggehalte van de uitgestalde hebbedingen elke beschrijving tarten.
Dag 2: Boppard – Treuchtlingen
Dinsdag 20 mei 2025
Gedwee als M. en ik zijn nemen we het advies van de Van Paridonnetjes ter harte om tijdig in Treuchtlingen te arriveren teneinde het stadsslot te kunnen bezichtigen. Het door de Twentse wandelreizenboer aanbevolen kasteel is het eerste van vele en route, en tevens geboortehuis van graaf slash veldheer Gottfried Heinrich zu Pappenheim, die tijdens de Dertigjarige Oorlog een geducht regiment van hardvochtige soldaten aanvoerde, de zogenoemde pappenheimers – inderdaad, die van de uitdrukking. Halverwege de middag staan we aan de receptie van ons verblijf, gevestigd in een even voormalige als rustieke stoeterij. Even vrezen we in een complotdenkersnest terecht te zijn gekomen: krachtens een schrijven op de balie geniet een met contant geld betalende gast drie procent korting, daar (capslock aan, rode letters) pintransacties gelijk staan aan controle (capslock uit). De QR-codes op onze kamers om onze surfequipage te verbinden met het WLAN-netwerk stellen ons echter gerust; buiten dat is de ontvangst door de hotelhoudster vriendelijk en informatief.
We aanvaarden de wandeling naar het slot, een klein kwartiertje gaans via enkele attractieve straatjes rond de kerk en het raadhuis. Het al even aardige kasteel, in renaissancestijl opgetrokken op een verhoging, wordt omzoomd door een park, dat in de drooggelegde slotgracht is gerealiseerd. Meer dan in architecturale hoogstandjes talen wij echter naar Kaffee und Kuchen – sorry, dames en heren van de Bayerische Denkmalschutz, maar de cafeïnepeilstok is zo droog als een exposé van Marcel van Roosmalen en de restanten van het uren geleden verorberde broodje haring van de Autobahn-Nordsee hunkeren naar gezelschap. Tegenover het gemeentehuis vinden we een zonnig terras, waar we cappuccino en een kloeke punt Heidelberger kersen-yoghurtgebak laten uitserveren. Zodra dit is gezakt verenigen we andermaal het nuttigen met het aangename op wat vermoedelijk de beste Biergarten van Treuchtlingen is: te midden van een gemêleerd publiek maken we een weizen uit de streek en asperges met aardappelen en braadworst soldaat.
We aanvaarden de wandeling naar het slot, een klein kwartiertje gaans via enkele attractieve straatjes rond de kerk en het raadhuis. Het al even aardige kasteel, in renaissancestijl opgetrokken op een verhoging, wordt omzoomd door een park, dat in de drooggelegde slotgracht is gerealiseerd. Meer dan in architecturale hoogstandjes talen wij echter naar Kaffee und Kuchen – sorry, dames en heren van de Bayerische Denkmalschutz, maar de cafeïnepeilstok is zo droog als een exposé van Marcel van Roosmalen en de restanten van het uren geleden verorberde broodje haring van de Autobahn-Nordsee hunkeren naar gezelschap. Tegenover het gemeentehuis vinden we een zonnig terras, waar we cappuccino en een kloeke punt Heidelberger kersen-yoghurtgebak laten uitserveren. Zodra dit is gezakt verenigen we andermaal het nuttigen met het aangename op wat vermoedelijk de beste Biergarten van Treuchtlingen is: te midden van een gemêleerd publiek maken we een weizen uit de streek en asperges met aardappelen en braadworst soldaat.
Dag 3: Treuchtlingen – Mörnsheim (22,8 km)
Woensdag 21 mei 2025
De officiële start van de Altmühltal-Panoramaweg bevindt zich niet in Treuchtlingen, doch veertig kilometer ten noordwesten ervan (langs het pad gemeten), te Gunzenhausen. Het verlaat het riviertje waarnaar het vernoemd is onmiddellijk, wendt de steven in de richting van Spielberg en volgt dan een uitloper van de Fränkische Alb, Hahnenkamm gedoopt, tot het pas in Treuchtlingen weer op de Altmühl stuit. De Van Paridonnetjes hebben denkelijk hun spreekwoordelijke oren bij Piet Smulders te luister gelegd, op wiens asfaltpostzegel op de elektronische snelweg de volgende vingerwijzing te berde wordt gebracht.
"Begin niet in Gunzenhausen, want het eerste gedeelte van dit langeafstandspad valt tegen."
Enfin, daar is geen woord Frans bij. We pakken de route derhalve op daar waar het zeer traag stromende riviertje de Fränkische Alb penetreert.
Reeds na een paar honderd meter steken we voor het eerst, maar zeker niet voor het laatst de komende stiefe week, de Altmühl over. Ondanks dat de tekens wat betreft kleurstelling en contrast behoorlijk van de in your faceë zijn, weet ik, net als op de eerste reisdag, in een poep en een scheet een navigatoire faux pas op de spreekwoordelijke mat te leggen. Hier echter geen bruinkoolmijnen of andere klemmen dan wel voetangels; de gps loodst ons gladjes naar het landelijke weggetje dat uitkomt bij het eerste van twee Dietfurts op de route.
De ochtendkilometers laten zich geenszins van hun eentonige kant zien, en zodra de beenspieren zijn opgewarmd middels een eerste klim naar de rand van de hoogvlakte, dalen we via de Adam-und-Eva-Weg weer af naar Pappenheim. Daar waar het struweel wijkt, hebben we, in weerwil van het feit dat het hier een Luftkurort betreft, een adembenemend uitzicht op de Altstadt en de op een heuvelkam boven het plaatsje gelegen, deels gereconstrueerde ruïne van een middeleeuwse burcht. We hebben weinig aandacht voor de onder auspiciën van het geslacht der Pappenheimpjes opgetrokken blikvanger; we worden afgeleid door een passage in de routebeschrijving, waarin gewag wordt gemaakt van een bakkerij met terras in de hoofdstraat. En daar zitten Peppi en Kokki andermaal aan de Kaffee und Kuchen.
Gelaafd en gespijsd laten we Burg Pappenheim en de omringende bebouwing achter ons en wordt ons blikveld gedomineerd door de ons in het vooruitzicht gestelde panorama's. Alvorens we letterlijk het bos in worden gestuurd maken we nog kennis met een biotoop die we de komende dagen menigmaal zullen doorkruisen, te weten kalkgrasland, opgesmukt met jeneverbesstruiken. Op het moment dat we in onze dagrugzakken zitten te foerageren, worden we voor het eerst gepasseerd door een collega-wandelaarster. Voor het overige hebben de krekels het voor het zeggen in het geluidsspectrum; hun kabaal is dusdanig dat ze naar wij vermoeden wel een podcast zullen hebben.
We nemen een prachtig klein voetpad, deels in de bosrand, dat hoog boven de stootoever van de Altmühl voert. Rotsen beginnen hun aandeel in het landschap op te eisen; na een nondescript wijkje met vrijstaande huizen in het overigens voor fossielenfreaks illustere Solnhofen leidt het zandspoor doorheen het gras ons bovenlangs de relatief drukbezochte Zwölf Apostel, een in een fotogenieke boog gelegen groep van dolomietkegels, de verweerde restanten van een onderwaterrif. De "13. Apostel", een kleine herberg met een terras dat ons ter verpozing tracht te noden, laten we met moeite links liggen, aangezien vanuit het westen een gore lucht komt opzetten. Het droge, zonnige en aangenaam warme weer van de afgelopen weken heeft tot vandaag dapper standgehouden, maar er staat een omslag naar koelere en wisselvalligere condities op het programma. Op de neerslagradar heeft een rodehond van buien zich het zuiden van Duitsland toegeëigend.
Aan gene zijde van het water beginnen we aan de langgerekte, doch gaandewegge slotklim van de vandage dagmars. Bovengekomen wandelen we dwars over een fabrieksterrein dat gerelateerd is aan een groeve waar de bewierookte Solnhofener kalksteen aan Moeder Aarde wordt onttrokken; boven de aan een dergelijke delfplaats gelieerde geluiden uit klinkt dreigend gerommel. Zo snel als het kwam neemt het onweer terug de benen, maar op een open vlakte begint het te plenzen in dikke, koude druppels. Te elfder ure, als de daken en kerktorenspits van het in het nauwe Gailachtal gestichte Mörnsheim al lang en breed boven het maaiveld uitsteken, dient de mooie afdaling derhalve gehuld in Gore-Texlappen te worden volbracht.
"Deze aankomst is werkelijk zeer bijzonder," aldus de reisbescheiden; het zullen onbedoeld profetische woorden van de Van Paridonnetjes blijken te zijn.
Mörnsheim is niet meer dan een speldenknop op de kaart, met als gevolg dat we in de enige accommodatie te gast zijn die het bijltje er nog niet bij neergegooid heeft en daarbij volpensionboekingen accepteert. De mevrouw die de dagelijkse gang van zaken onder haar hoede heeft geeft echter een creatieve draai aan het in de vorige volzin aangevoerde horecaconcept: ze geeft geen eten; op haar kosten worden we evenwel ontboden bij de lokale pizzeria. Er zit niets anders op dan het voorstel te aanvaarden; de pijn wordt verzacht middels een gratis halve liter gerstenat.
Allicht ontbeert het een nederzetting als deze aan Nutellawinkels, hippe koffiebarretjes en flagship stores van dure kledingmerken – zelfs een eetgelegenheid met zitplaatsen is echter in geen velden of wegen te bekennen: bij de pizzeria kan louter worden afgehaald. De deur wordt enkel geopend voor het doorgeven en aannemen van bestellingen; in het interbellum tussen genoemde wederwaardigheden staan we in een spelonk vermomd als halletje naar de gestaag vallende regen te kijken. Terug in het hotel staan we met onze klamme pizzadozen, petflesjes drank, plastic bakjes salade en wegwerpbestek voor een afgesloten deur van de gelagruimte. Een en ander, onder meer ons improvisatievermogen, leidt ertoe dat we het bordes van het trappenhuis, dat in alles de sfeer van het ziekenhuis in Terneuzen ademt, zo goed en kwaad als het kan herscheppen in een pop-uprestaurant: we halen de stoelen uit onze respectievelijke kamers en in een gang vinden we een verdwaalde tafel met een heus kleedje. M. bedient om de twee minuten de lichtknop opdat we kunnen zien wat we in onze smikkel drukken, en de traplift, een natte paraplu, een bosje namaakklaprozen, een bescheiden collectie afzichtelijke schilderijen en een functioneel rek uitpuilend met toeristische folders, boeken en spelletjes vervolmaken het tafereel.
Reeds na een paar honderd meter steken we voor het eerst, maar zeker niet voor het laatst de komende stiefe week, de Altmühl over. Ondanks dat de tekens wat betreft kleurstelling en contrast behoorlijk van de in your faceë zijn, weet ik, net als op de eerste reisdag, in een poep en een scheet een navigatoire faux pas op de spreekwoordelijke mat te leggen. Hier echter geen bruinkoolmijnen of andere klemmen dan wel voetangels; de gps loodst ons gladjes naar het landelijke weggetje dat uitkomt bij het eerste van twee Dietfurts op de route.
De ochtendkilometers laten zich geenszins van hun eentonige kant zien, en zodra de beenspieren zijn opgewarmd middels een eerste klim naar de rand van de hoogvlakte, dalen we via de Adam-und-Eva-Weg weer af naar Pappenheim. Daar waar het struweel wijkt, hebben we, in weerwil van het feit dat het hier een Luftkurort betreft, een adembenemend uitzicht op de Altstadt en de op een heuvelkam boven het plaatsje gelegen, deels gereconstrueerde ruïne van een middeleeuwse burcht. We hebben weinig aandacht voor de onder auspiciën van het geslacht der Pappenheimpjes opgetrokken blikvanger; we worden afgeleid door een passage in de routebeschrijving, waarin gewag wordt gemaakt van een bakkerij met terras in de hoofdstraat. En daar zitten Peppi en Kokki andermaal aan de Kaffee und Kuchen.
Gelaafd en gespijsd laten we Burg Pappenheim en de omringende bebouwing achter ons en wordt ons blikveld gedomineerd door de ons in het vooruitzicht gestelde panorama's. Alvorens we letterlijk het bos in worden gestuurd maken we nog kennis met een biotoop die we de komende dagen menigmaal zullen doorkruisen, te weten kalkgrasland, opgesmukt met jeneverbesstruiken. Op het moment dat we in onze dagrugzakken zitten te foerageren, worden we voor het eerst gepasseerd door een collega-wandelaarster. Voor het overige hebben de krekels het voor het zeggen in het geluidsspectrum; hun kabaal is dusdanig dat ze naar wij vermoeden wel een podcast zullen hebben.
We nemen een prachtig klein voetpad, deels in de bosrand, dat hoog boven de stootoever van de Altmühl voert. Rotsen beginnen hun aandeel in het landschap op te eisen; na een nondescript wijkje met vrijstaande huizen in het overigens voor fossielenfreaks illustere Solnhofen leidt het zandspoor doorheen het gras ons bovenlangs de relatief drukbezochte Zwölf Apostel, een in een fotogenieke boog gelegen groep van dolomietkegels, de verweerde restanten van een onderwaterrif. De "13. Apostel", een kleine herberg met een terras dat ons ter verpozing tracht te noden, laten we met moeite links liggen, aangezien vanuit het westen een gore lucht komt opzetten. Het droge, zonnige en aangenaam warme weer van de afgelopen weken heeft tot vandaag dapper standgehouden, maar er staat een omslag naar koelere en wisselvalligere condities op het programma. Op de neerslagradar heeft een rodehond van buien zich het zuiden van Duitsland toegeëigend.
Aan gene zijde van het water beginnen we aan de langgerekte, doch gaandewegge slotklim van de vandage dagmars. Bovengekomen wandelen we dwars over een fabrieksterrein dat gerelateerd is aan een groeve waar de bewierookte Solnhofener kalksteen aan Moeder Aarde wordt onttrokken; boven de aan een dergelijke delfplaats gelieerde geluiden uit klinkt dreigend gerommel. Zo snel als het kwam neemt het onweer terug de benen, maar op een open vlakte begint het te plenzen in dikke, koude druppels. Te elfder ure, als de daken en kerktorenspits van het in het nauwe Gailachtal gestichte Mörnsheim al lang en breed boven het maaiveld uitsteken, dient de mooie afdaling derhalve gehuld in Gore-Texlappen te worden volbracht.
"Deze aankomst is werkelijk zeer bijzonder," aldus de reisbescheiden; het zullen onbedoeld profetische woorden van de Van Paridonnetjes blijken te zijn.
Mörnsheim is niet meer dan een speldenknop op de kaart, met als gevolg dat we in de enige accommodatie te gast zijn die het bijltje er nog niet bij neergegooid heeft en daarbij volpensionboekingen accepteert. De mevrouw die de dagelijkse gang van zaken onder haar hoede heeft geeft echter een creatieve draai aan het in de vorige volzin aangevoerde horecaconcept: ze geeft geen eten; op haar kosten worden we evenwel ontboden bij de lokale pizzeria. Er zit niets anders op dan het voorstel te aanvaarden; de pijn wordt verzacht middels een gratis halve liter gerstenat.
Allicht ontbeert het een nederzetting als deze aan Nutellawinkels, hippe koffiebarretjes en flagship stores van dure kledingmerken – zelfs een eetgelegenheid met zitplaatsen is echter in geen velden of wegen te bekennen: bij de pizzeria kan louter worden afgehaald. De deur wordt enkel geopend voor het doorgeven en aannemen van bestellingen; in het interbellum tussen genoemde wederwaardigheden staan we in een spelonk vermomd als halletje naar de gestaag vallende regen te kijken. Terug in het hotel staan we met onze klamme pizzadozen, petflesjes drank, plastic bakjes salade en wegwerpbestek voor een afgesloten deur van de gelagruimte. Een en ander, onder meer ons improvisatievermogen, leidt ertoe dat we het bordes van het trappenhuis, dat in alles de sfeer van het ziekenhuis in Terneuzen ademt, zo goed en kwaad als het kan herscheppen in een pop-uprestaurant: we halen de stoelen uit onze respectievelijke kamers en in een gang vinden we een verdwaalde tafel met een heus kleedje. M. bedient om de twee minuten de lichtknop opdat we kunnen zien wat we in onze smikkel drukken, en de traplift, een natte paraplu, een bosje namaakklaprozen, een bescheiden collectie afzichtelijke schilderijen en een functioneel rek uitpuilend met toeristische folders, boeken en spelletjes vervolmaken het tafereel.
Dag 4: Mörnsheim – Eichstätt (21,7 km)
Donderdag 22 mei 2025
We krijgen – na de lotgevallen van gisteravond tot onze verrassing – een goed ontbijt en het lunchpakket stelt ook geenszins teleur. Hoe dan ook is onze eigen poor man's pizzagate een banger op de socials en heeft het er vooralsnog alle schijn van dat elke overnachting stof tot schrijven zal opleveren.
Nog voor klokke negen staan we op straat. Het is fris en boven onze hoofden hangen zware wolken, aldoor tegen regen aan, maar blaffende honden bijten niet – vandaag althans – en later komt er op gezette tijden wat vage zon. We volgen een asfaltwegje door het stroomdal van de Gailach, gunnen het bedevaartskerkje van Altendorf een gerechtvaardigde blik en nemen dan de eerste gelegenheid te baat op de andere oever van de Altmühl te geraken. Een klimmetje brengt ons op het plateau, waar we de abrupte overgang van hellingbos naar licht heuvelende weides tot nader order aanhouden. De gelijkmatigheid wordt onderbroken door een aardig ensemble van een kapelletje en een paar huizen, dankzij het decor van de steilrand met enkele rotsformaties voorwaar een foto waard. Verderop brengt een leuk paadje door de kalkgraslanden ons regelrecht naar het kleine vestingstadje Dollnstein, waar we even omlopen voor een tasje pleur. Schuin tegenover de kerk opent Zum Kirchenschmidt juist de deuren. Het prijsniveau – dat in onderhavige contreien gelijke tred blijkt te houden met dat van ons in een grijs verleden koude kikkerlandje – weerhoudt ons ervan de koffie gepaard te laten gaan met apfelstrudel.
Nadat het middaguur is verstreken lopen we tot in Eichstätt voortdurend over de zongerichte flank van de vallei. De uitgestippelde route blijft min of meer op gelijke hoogte, kiest goeddeels smalle paadjes en laat ons via een kilometerslange slinger de landschappelijke veelzijdigheid van het dal zien: we gaan onderlangs machtige dolomietzuilen, over kalkgrashellingen met verspreide bomen, bosschages en rotsblokken, en langs en door bosranden, onderwijl genietend van weidse vergezichten. Urenlang komen we geen levende ziel tegen en het achtergrondgeluid blijft beperkt tot een passerende trein of twee. Aan een strategisch neergezette picknicktafel gaan we aan de boterham en worden de nieuwerwetsigheden die de wijze mannen en vrouwen van Mentos aan het smaakpalet hebben toegevoegd helemaal de moeder gepitchforkt.
Daar waar de Altmühltal-Panoramaweg een meander negeert en zodoende pal op zijn doel afgaat, verandert de etappe van karakter: er komt meer bebouwing in het vizier en we dienen ons een resem het oog en oor ontbalsemende kalksteengroeves te laten welgevallen, waaronder een exemplaar waar het grote publiek zelf de fossielenvorser mag uithangen en een waarheidsnastrevende tyrannosaurus met opengesperde bek de argeloze passant de stuipen op het lijf probeert te jagen. Ook het pad laat plots zijn tanden zien, in de vorm van een inspannende klim en een kniegeselende afdaling. Even na het hoogste punt kondigt de bisschops- en universiteitsstad Eichstätt zich aan: in het verschiet en bovenop het uiteinde van een heuvelrug ligt de veertiende-eeuwse Willibaldsburg, een omnipotent gevaarte dat een en al macht, onderwerping en dominantie uitstraalt en derhalve door een verre voorvader van Albert Speer ontworpen had kunnen zijn.
We wijken af van het bewegwijzerde pad, dat een omtrekkende beweging rond Eichstätt maakt, en volgen in plaats daarvan een oeverpromenade in een parkachtige setting. Ten slotte gaan we halverwege de middag ter hoogte van het historische centrum de Altmühl over, te vroeg om de hotelkamers te betrekken. In een typisch Duitse formeel-vriendelijke uitspanning, waar we twee van de weinige gasten zijn, betalen we alsnog de hoofdprijs voor een bord apfelstrudel met ijs en slagroom dat voor een volledige avondmaaltijd kan doorgaan, en gaan we aansluitend de calorieën te lijf in de Altstadt. De stegen, straten en pleinen worden aan alle zijden ingesloten door statige barokpanden. Het winkelaanbod is daarentegen opvallend schraal; we houden uitsluitend een ogenblik halt bij de Galerie der Kirchenkritik, die, de ingegooide ruit indachtig, niet bij alle ingezetenen van bisschopszetel dezes in de smaak valt.
Het welkomstritueel in ons hotel wordt van zijn glans beroofd door een discussie over het al dan niet inbegrepen zijn van het diner; pas na interventie van de reisorganisatie is alles in kannen en kruiken, het vermoeden dat de bewindvoerder ons in het pak poogde te naaien nog donkerbruiner kleurend dan dat het al was. Buiten een slot met gebruikershandleiding en enkele puik gecamoufleerde opstapjes lijkt het logement verder niets te wensen over te laten. De eterette waar we heen worden gezonden serveert op Beierse leest geschoeide gerechten, goed en in niet bepaald zuinige porties.
Nog voor klokke negen staan we op straat. Het is fris en boven onze hoofden hangen zware wolken, aldoor tegen regen aan, maar blaffende honden bijten niet – vandaag althans – en later komt er op gezette tijden wat vage zon. We volgen een asfaltwegje door het stroomdal van de Gailach, gunnen het bedevaartskerkje van Altendorf een gerechtvaardigde blik en nemen dan de eerste gelegenheid te baat op de andere oever van de Altmühl te geraken. Een klimmetje brengt ons op het plateau, waar we de abrupte overgang van hellingbos naar licht heuvelende weides tot nader order aanhouden. De gelijkmatigheid wordt onderbroken door een aardig ensemble van een kapelletje en een paar huizen, dankzij het decor van de steilrand met enkele rotsformaties voorwaar een foto waard. Verderop brengt een leuk paadje door de kalkgraslanden ons regelrecht naar het kleine vestingstadje Dollnstein, waar we even omlopen voor een tasje pleur. Schuin tegenover de kerk opent Zum Kirchenschmidt juist de deuren. Het prijsniveau – dat in onderhavige contreien gelijke tred blijkt te houden met dat van ons in een grijs verleden koude kikkerlandje – weerhoudt ons ervan de koffie gepaard te laten gaan met apfelstrudel.
Nadat het middaguur is verstreken lopen we tot in Eichstätt voortdurend over de zongerichte flank van de vallei. De uitgestippelde route blijft min of meer op gelijke hoogte, kiest goeddeels smalle paadjes en laat ons via een kilometerslange slinger de landschappelijke veelzijdigheid van het dal zien: we gaan onderlangs machtige dolomietzuilen, over kalkgrashellingen met verspreide bomen, bosschages en rotsblokken, en langs en door bosranden, onderwijl genietend van weidse vergezichten. Urenlang komen we geen levende ziel tegen en het achtergrondgeluid blijft beperkt tot een passerende trein of twee. Aan een strategisch neergezette picknicktafel gaan we aan de boterham en worden de nieuwerwetsigheden die de wijze mannen en vrouwen van Mentos aan het smaakpalet hebben toegevoegd helemaal de moeder gepitchforkt.
Daar waar de Altmühltal-Panoramaweg een meander negeert en zodoende pal op zijn doel afgaat, verandert de etappe van karakter: er komt meer bebouwing in het vizier en we dienen ons een resem het oog en oor ontbalsemende kalksteengroeves te laten welgevallen, waaronder een exemplaar waar het grote publiek zelf de fossielenvorser mag uithangen en een waarheidsnastrevende tyrannosaurus met opengesperde bek de argeloze passant de stuipen op het lijf probeert te jagen. Ook het pad laat plots zijn tanden zien, in de vorm van een inspannende klim en een kniegeselende afdaling. Even na het hoogste punt kondigt de bisschops- en universiteitsstad Eichstätt zich aan: in het verschiet en bovenop het uiteinde van een heuvelrug ligt de veertiende-eeuwse Willibaldsburg, een omnipotent gevaarte dat een en al macht, onderwerping en dominantie uitstraalt en derhalve door een verre voorvader van Albert Speer ontworpen had kunnen zijn.
We wijken af van het bewegwijzerde pad, dat een omtrekkende beweging rond Eichstätt maakt, en volgen in plaats daarvan een oeverpromenade in een parkachtige setting. Ten slotte gaan we halverwege de middag ter hoogte van het historische centrum de Altmühl over, te vroeg om de hotelkamers te betrekken. In een typisch Duitse formeel-vriendelijke uitspanning, waar we twee van de weinige gasten zijn, betalen we alsnog de hoofdprijs voor een bord apfelstrudel met ijs en slagroom dat voor een volledige avondmaaltijd kan doorgaan, en gaan we aansluitend de calorieën te lijf in de Altstadt. De stegen, straten en pleinen worden aan alle zijden ingesloten door statige barokpanden. Het winkelaanbod is daarentegen opvallend schraal; we houden uitsluitend een ogenblik halt bij de Galerie der Kirchenkritik, die, de ingegooide ruit indachtig, niet bij alle ingezetenen van bisschopszetel dezes in de smaak valt.
Het welkomstritueel in ons hotel wordt van zijn glans beroofd door een discussie over het al dan niet inbegrepen zijn van het diner; pas na interventie van de reisorganisatie is alles in kannen en kruiken, het vermoeden dat de bewindvoerder ons in het pak poogde te naaien nog donkerbruiner kleurend dan dat het al was. Buiten een slot met gebruikershandleiding en enkele puik gecamoufleerde opstapjes lijkt het logement verder niets te wensen over te laten. De eterette waar we heen worden gezonden serveert op Beierse leest geschoeide gerechten, goed en in niet bepaald zuinige porties.
Dag 5: Eichstätt – Gungolding – Kinding (22,1 km)
Vrijdag 23 mei 2025
Met kleine oogjes meld ik mij aan het ontbijtbuffet; de nachtrust mocht die naam niet dragen. Nog geen tien meter verderop in de steeg onder mijn raam hield een meute hangjongeren zich onledig met ouwehoeren, schreeuwen, brallen en schateren. Het alles en iedereen terroriserende pandemonium, door de receptioniste desgevraagd vergoeilijkend Party genoemd, hield onverminderd aan tot diep in de nacht, mijn slaap reducerend tot een vroegochtendlijk dutje. Al met al geen ideale uitgangssituatie voor de derde twintigplusser in successie.
Het is koel en er is veel bewolking, maar op de momenten dat de zon erin slaagt door te komen voelt het op slag voorjaarsachtig; ergo, ideaal wandelweer, dat de belazerde nacht naar ik hoop spoedig in het moeras der vergetelheid zal doen wegzakken. Ik leg het driehoekige marktplein met voorbeeldig verzorgde opstallen vast op de gevoelige plaat, waarna we door enige aangename straatjes kuieren en al snel de tekens van de Altmühltal-Panoramaweg weer aantreffen. Onmiddellijk gaan we tegen een helling op door de woonwijken van de stad; waar de bebouwing aan de rechterhand wijkt hebben we uitzicht op het oude centrum in de diepte. We verlaten het asfalt ten faveure van een grindweg, maar het duurt even vooraleer de markante skyline van Eichstätt achter de horizon is verdwenen.
Het vervolg van de ochtend is in één woord samen te vatten: wandelcorvee. We hadden ons nogal verheugd op een veld met grote aantallen klaprozen dat in de routebeschrijving wordt aangekondigd, een en ander gelardeerd met fotografisch bewijsmateriaal en een van de talrijke intermezzi met achtergrondinformatie – vanwege een zekere afwijkende kleurstelling door twee niet nader te noemen volwassen kerels steevast "bruine stukjes" genoemd. Maar als puntje bij paaltje komt zijn de klaprozen, enkele achterblijvers daargelaten, met de noorderzon vertrokken, of lappen ze als één man de aan hen gerelateerde bloeiperiode aan hun spreekwoordelijke laars. Het verwilderde hoge gras tot zover het oog reikt dat ervoor in de plaats is gekomen is hoegenaamd weinig inspirerend. Hetzelfde kan worden gezegd van de bijna vijf kilometer belopende passage door eenvormig bos over brede, volstrekt inwisselbare grindwegen – een uitvloeisel van de Duitse ziekte, die patiënten, doorgaans wandelrouteontwerpers, een hartgrondige hekel doet krijgen aan speelse kronkelpaadjes en mogelijkheden om de voeten wat rust te gunnen.
"De Bankjesgigant moet hier nog wat acquisitie plegen," ventileert M. zijn ongenoegen.
Krek, zo is het maar net.
Lang verhaal kort, wij lunchen staand.
Met het spijsverteringsstelsel op standje spijsverteren klimmen we het geboomte uit, laten we een bankje links liggen en trekken we het bos weer in, dat er nu iets boeiender op wordt, aangezien het her en der kansen biedt om ruimte te zien. Niettemin zijn we verheugd als we het uitgestrekte Brandholz inruilen voor het wijde dal van de Altmühl, met een potpourri van akkerlanden, velden, bospercelen en enkele verspreide gehuchten. We zetten ons enkele minuten op een bank ter smering van de keel; een wandelaar gaat al groetend erop en erover. We lopen in zijn kielzog, totdat we hem op een speels kronkelpaadje over de jeneverbesheide definitief uit onze invloedssfeer moeten laten ontsnappen.
Evenals gisteren en eergisteren zit er venijn in de staart: er dient nog eenmaal met energieke tred tegen de heuvel op geklommen te worden. De beloning is echter navenant: een meesterlijk slot doorheen de Gungoldinger Wacholderheide, een reliëfrijk, uitgestrekt kalkgrasland, waarin jeneverbesstruiken en, voor de oplettende kijker, orchideeën en andere zeldzame flora welig tieren. We worden strak aangestaard door een geit, die zijn taak als lijfwacht van een kudde van vele tientallen schapen, die zich rond een boom hebben verzameld, als missie ziet. De wolproducenten dragen er mede zorg voor dat een heroverwoekering door naald- en/of loofwoud van ook de resterende jeneverbesheidevelden in het gebied van het Altmühltal aan banden wordt gelegd. Voor het eerst vandaag hebben we het riviertje in het zicht, dat hier zijn weg vindt pal aan de voet van de linkerflank. Aan de overzijde strekt het dal, thans badend in het zonlicht, zich op zijn zondags uit, totdat het stuit op het hellingbos verderop. We dalen af, passeren een klompje rotsen, keren de Altmühl vervolgens de rug toe en houden ons volgende doelwit, het parmantige kerktorentje op de begraafplaats van Gungolding, dan op twaalf uur. Op de doorgaande weg slaan we rechtsaf in de richting van de bebouwde kom, langs de veertien kruiswegstaties die tussen de dorpskern en het kerkhof langs het trottoir staan opgesteld. Hier wordt het gras niet kort gehouden door kleinvee, maar door een hoveniersbedrijf in het bezit van benzineaangedreven machinerie.
Herberg Zum Alten Wirt in Gungolding zit vol, houdt Ruhetag of is er helemaal mee opgehouden – dat blijft voor de exploitanten een weet en voor ons een vraag – en vandaar dat we ons logies in de volgende etappeplaats, waar ons dan twee overnachtingen ten deel vallen, verzoeken ons op te komen halen. Nog geen kwartier na het telefonisch onderhoud komt de auto voorrijden, met achter het stuur vermoedelijk een dochter van degenen die het hotel drijven. Ik vraag of er een keuken is, waarop tot onze opluchting een bevestigend antwoord volgt. De vriendelijke, jonge vrouw licht een tipje van de sluier op aangaande de komende wandeldagen, waaruit ik voorzichtig concludeer dat de Altmühltal-Panoramaweg een zekere bekendheid geniet in de streek, ofschoon de paden en de lanen avondklokverlaten zijn.
Kinding mag dan wel amper groter zijn dan, scribent dezes noemt maar een zijstraat, een Mörnsheim, het telt uiteenlopende voorzieningen, zoals daar zijn een benzinestation, een bakkerij, een bankfiliaal en een supermarkt. Het hotel is rustig, gerieflijk en kraakzindelijk. We zitten een tijdlang op het terras aan de straat en rusten dan op onze kamers, in afwachting van het diner. Cappuccino en een slaapmutsje na. 's Nachts is het muisstil, godzijdank.
Het is koel en er is veel bewolking, maar op de momenten dat de zon erin slaagt door te komen voelt het op slag voorjaarsachtig; ergo, ideaal wandelweer, dat de belazerde nacht naar ik hoop spoedig in het moeras der vergetelheid zal doen wegzakken. Ik leg het driehoekige marktplein met voorbeeldig verzorgde opstallen vast op de gevoelige plaat, waarna we door enige aangename straatjes kuieren en al snel de tekens van de Altmühltal-Panoramaweg weer aantreffen. Onmiddellijk gaan we tegen een helling op door de woonwijken van de stad; waar de bebouwing aan de rechterhand wijkt hebben we uitzicht op het oude centrum in de diepte. We verlaten het asfalt ten faveure van een grindweg, maar het duurt even vooraleer de markante skyline van Eichstätt achter de horizon is verdwenen.
Het vervolg van de ochtend is in één woord samen te vatten: wandelcorvee. We hadden ons nogal verheugd op een veld met grote aantallen klaprozen dat in de routebeschrijving wordt aangekondigd, een en ander gelardeerd met fotografisch bewijsmateriaal en een van de talrijke intermezzi met achtergrondinformatie – vanwege een zekere afwijkende kleurstelling door twee niet nader te noemen volwassen kerels steevast "bruine stukjes" genoemd. Maar als puntje bij paaltje komt zijn de klaprozen, enkele achterblijvers daargelaten, met de noorderzon vertrokken, of lappen ze als één man de aan hen gerelateerde bloeiperiode aan hun spreekwoordelijke laars. Het verwilderde hoge gras tot zover het oog reikt dat ervoor in de plaats is gekomen is hoegenaamd weinig inspirerend. Hetzelfde kan worden gezegd van de bijna vijf kilometer belopende passage door eenvormig bos over brede, volstrekt inwisselbare grindwegen – een uitvloeisel van de Duitse ziekte, die patiënten, doorgaans wandelrouteontwerpers, een hartgrondige hekel doet krijgen aan speelse kronkelpaadjes en mogelijkheden om de voeten wat rust te gunnen.
"De Bankjesgigant moet hier nog wat acquisitie plegen," ventileert M. zijn ongenoegen.
Krek, zo is het maar net.
Lang verhaal kort, wij lunchen staand.
Met het spijsverteringsstelsel op standje spijsverteren klimmen we het geboomte uit, laten we een bankje links liggen en trekken we het bos weer in, dat er nu iets boeiender op wordt, aangezien het her en der kansen biedt om ruimte te zien. Niettemin zijn we verheugd als we het uitgestrekte Brandholz inruilen voor het wijde dal van de Altmühl, met een potpourri van akkerlanden, velden, bospercelen en enkele verspreide gehuchten. We zetten ons enkele minuten op een bank ter smering van de keel; een wandelaar gaat al groetend erop en erover. We lopen in zijn kielzog, totdat we hem op een speels kronkelpaadje over de jeneverbesheide definitief uit onze invloedssfeer moeten laten ontsnappen.
Evenals gisteren en eergisteren zit er venijn in de staart: er dient nog eenmaal met energieke tred tegen de heuvel op geklommen te worden. De beloning is echter navenant: een meesterlijk slot doorheen de Gungoldinger Wacholderheide, een reliëfrijk, uitgestrekt kalkgrasland, waarin jeneverbesstruiken en, voor de oplettende kijker, orchideeën en andere zeldzame flora welig tieren. We worden strak aangestaard door een geit, die zijn taak als lijfwacht van een kudde van vele tientallen schapen, die zich rond een boom hebben verzameld, als missie ziet. De wolproducenten dragen er mede zorg voor dat een heroverwoekering door naald- en/of loofwoud van ook de resterende jeneverbesheidevelden in het gebied van het Altmühltal aan banden wordt gelegd. Voor het eerst vandaag hebben we het riviertje in het zicht, dat hier zijn weg vindt pal aan de voet van de linkerflank. Aan de overzijde strekt het dal, thans badend in het zonlicht, zich op zijn zondags uit, totdat het stuit op het hellingbos verderop. We dalen af, passeren een klompje rotsen, keren de Altmühl vervolgens de rug toe en houden ons volgende doelwit, het parmantige kerktorentje op de begraafplaats van Gungolding, dan op twaalf uur. Op de doorgaande weg slaan we rechtsaf in de richting van de bebouwde kom, langs de veertien kruiswegstaties die tussen de dorpskern en het kerkhof langs het trottoir staan opgesteld. Hier wordt het gras niet kort gehouden door kleinvee, maar door een hoveniersbedrijf in het bezit van benzineaangedreven machinerie.
Herberg Zum Alten Wirt in Gungolding zit vol, houdt Ruhetag of is er helemaal mee opgehouden – dat blijft voor de exploitanten een weet en voor ons een vraag – en vandaar dat we ons logies in de volgende etappeplaats, waar ons dan twee overnachtingen ten deel vallen, verzoeken ons op te komen halen. Nog geen kwartier na het telefonisch onderhoud komt de auto voorrijden, met achter het stuur vermoedelijk een dochter van degenen die het hotel drijven. Ik vraag of er een keuken is, waarop tot onze opluchting een bevestigend antwoord volgt. De vriendelijke, jonge vrouw licht een tipje van de sluier op aangaande de komende wandeldagen, waaruit ik voorzichtig concludeer dat de Altmühltal-Panoramaweg een zekere bekendheid geniet in de streek, ofschoon de paden en de lanen avondklokverlaten zijn.
Kinding mag dan wel amper groter zijn dan, scribent dezes noemt maar een zijstraat, een Mörnsheim, het telt uiteenlopende voorzieningen, zoals daar zijn een benzinestation, een bakkerij, een bankfiliaal en een supermarkt. Het hotel is rustig, gerieflijk en kraakzindelijk. We zitten een tijdlang op het terras aan de straat en rusten dan op onze kamers, in afwachting van het diner. Cappuccino en een slaapmutsje na. 's Nachts is het muisstil, godzijdank.
Dag 6: Kinding – Gungolding – Kinding (18,1 km)
Zaterdag 24 mei 2025
Het met een gekarteld hoogteprofiel behepte en naar verluidt uit-de-kunste deeltraject tussen Gungolding en Kipfenberg wordt hedenochtend letterlijk in het zonnetje gezet, nauwelijks gehinderd door de onschuldige, witte wolken aan de einder. De combinatie van het fraaie lenteweer, het arcadische landschap en het weekendverlof zou ettelijke buitensportliefhebbers op de been brengen, al is van grote drukte nog immer geen sprake.
Desgevraagd laten we ons bij de begraafplaats afzetten waar we gistermiddag de signalisatie de signalisatie lieten en klimmen we onverwijld de Gungoldinger Wacholderheide op. We krijgen een graspaadje langs de afgrond waarvandaan we een fabelachtig uitzicht hebben op de vallei en het zwarte woud dat aan gene zijde tegen de steile dalwand op kruipt. Veel lager zetten we voet op de zuidelijke wal van de Altmühl en draaien en keren we door Arnsberg, een volstrekt alledaags dorp, ware het niet dat een bovenop een verticale muur van kalksteen gesitueerde kasteelruïne op schilderachtige wijze ruim honderd meter boven de daken uittorent. Voornoemde dolomietkolos is onderdeel van de Arnsberger Leite, een zielsverwant van de Zwölf Apostel en in die hoedanigheid een rij van machtige, in een flauwe boog gelegen kliffen. Het land rijst hier abrupt op en bestaat uit een afwisseling van zware bossen en kalkgraslanden, een en ander in scherp contrast met de pannenkoekvlakke dalbodem die is verdeeld in rechthoekige kavels van weiden en akkerbouwgronden. Vanaf het pad bovenlangs de rotspartijen, dat we bereikten na een hernieuwde inspanning, is het uitzicht op het geschetste schouwspel van een onberispelijke schoonheid.
We wandelen bergafwaarts door het bos en komen uit in Böhming, waar zojuist de Italiaanse pendant van de papklok wordt geluid, namelijk die voor cappuccino. Terwijl we smikkelen van gebakken appelschijfjes met ijs, vallen nieuwe klanten binnen, gezinnen en complete families, deels in klederdracht. Het lopen in traditionele plunje lijkt hier volkomen vanzelfsprekend; we zien het ook op doordeweekse dagen waarop er, zover wij kunnen nagaan, niets te vieren valt. Vandaag staat tout Böhming echter stil bij het 75-jarig bestaan van de lokale OGV (Obst- und Gartenbauverein), getuige een krans die aan de brug over de Altmühl is bevestigd, een jubileum dat door een fanfarekorps met een geestdriftige grotetromspeler muzikaal wordt opgeluisterd. In marstempo vliegen we de derde beklimming van de dag aan.
Overigens moesten wij de zonnebadende ringslangen ontberen die de Van Paridonnetjes vanaf de zo-even gememoreerde brug hadden waargenomen.
De Altmühltal-Panoramaweg gunt het evenzeer met een hooggelegen burcht gezegende Kipfenberg geen blik waardig, en ook wij geven onze respectievelijke porties aan Fikkie.
Na de metaforische thee is de dagtocht met minder cachet behept; de capaciteit om climaxen in het langetermijngeheugen op te slaan is echter beperkt en benevens dat kent het loofbos dat wij thans bepotelen voldoende variatie om het moreel te blijven voeden. We bereiken de limes, ofwel de grens van het Romeinse Rijk. Het fundament van wat ooit een wachttoren was prikkelt mijn fantasie en zie ik als zodanig aan voor een jacuzzi avant la lettre; een replica van een dergelijk voor bewakingsdoeleinden in het leven geroepen constructie is luttele meters verderop verrezen. We vervolgen fluks onze weg; in het algemeen heb ik weinig op met kunstgrepen als deze om het verleden voor een breed publiek zicht-, voel- en beleefbaar te maken.
Zodra we de open ruimte betreden zien we in de diepte de Autobahn liggen die langs Kinding scheert. Slechts een heuvelrug scheidt ons dan nog van terrasslemp en douche.
In het restaurantgedeelte van het hotel is een vanochtend aangekondigd feest gaande. Terwijl de fuifnummers met inachtneming van afdoende beschaving hun respectievelijke levers marineren, ontgaat ons een nauwelijks te geringschatten bijdrage van poenerige bolides aan het Kindinger verkeersaanbod bepaald niet. Naarmate de namiddag vordert, mengen zich steeds meer benevelde voetgangers in het straatgewoel. Het keuken- en bedienend personeel schakelt soepel en vruchtbaar over naar het laven en voederen van de hotelgasten.
Desgevraagd laten we ons bij de begraafplaats afzetten waar we gistermiddag de signalisatie de signalisatie lieten en klimmen we onverwijld de Gungoldinger Wacholderheide op. We krijgen een graspaadje langs de afgrond waarvandaan we een fabelachtig uitzicht hebben op de vallei en het zwarte woud dat aan gene zijde tegen de steile dalwand op kruipt. Veel lager zetten we voet op de zuidelijke wal van de Altmühl en draaien en keren we door Arnsberg, een volstrekt alledaags dorp, ware het niet dat een bovenop een verticale muur van kalksteen gesitueerde kasteelruïne op schilderachtige wijze ruim honderd meter boven de daken uittorent. Voornoemde dolomietkolos is onderdeel van de Arnsberger Leite, een zielsverwant van de Zwölf Apostel en in die hoedanigheid een rij van machtige, in een flauwe boog gelegen kliffen. Het land rijst hier abrupt op en bestaat uit een afwisseling van zware bossen en kalkgraslanden, een en ander in scherp contrast met de pannenkoekvlakke dalbodem die is verdeeld in rechthoekige kavels van weiden en akkerbouwgronden. Vanaf het pad bovenlangs de rotspartijen, dat we bereikten na een hernieuwde inspanning, is het uitzicht op het geschetste schouwspel van een onberispelijke schoonheid.
We wandelen bergafwaarts door het bos en komen uit in Böhming, waar zojuist de Italiaanse pendant van de papklok wordt geluid, namelijk die voor cappuccino. Terwijl we smikkelen van gebakken appelschijfjes met ijs, vallen nieuwe klanten binnen, gezinnen en complete families, deels in klederdracht. Het lopen in traditionele plunje lijkt hier volkomen vanzelfsprekend; we zien het ook op doordeweekse dagen waarop er, zover wij kunnen nagaan, niets te vieren valt. Vandaag staat tout Böhming echter stil bij het 75-jarig bestaan van de lokale OGV (Obst- und Gartenbauverein), getuige een krans die aan de brug over de Altmühl is bevestigd, een jubileum dat door een fanfarekorps met een geestdriftige grotetromspeler muzikaal wordt opgeluisterd. In marstempo vliegen we de derde beklimming van de dag aan.
Overigens moesten wij de zonnebadende ringslangen ontberen die de Van Paridonnetjes vanaf de zo-even gememoreerde brug hadden waargenomen.
De Altmühltal-Panoramaweg gunt het evenzeer met een hooggelegen burcht gezegende Kipfenberg geen blik waardig, en ook wij geven onze respectievelijke porties aan Fikkie.
Na de metaforische thee is de dagtocht met minder cachet behept; de capaciteit om climaxen in het langetermijngeheugen op te slaan is echter beperkt en benevens dat kent het loofbos dat wij thans bepotelen voldoende variatie om het moreel te blijven voeden. We bereiken de limes, ofwel de grens van het Romeinse Rijk. Het fundament van wat ooit een wachttoren was prikkelt mijn fantasie en zie ik als zodanig aan voor een jacuzzi avant la lettre; een replica van een dergelijk voor bewakingsdoeleinden in het leven geroepen constructie is luttele meters verderop verrezen. We vervolgen fluks onze weg; in het algemeen heb ik weinig op met kunstgrepen als deze om het verleden voor een breed publiek zicht-, voel- en beleefbaar te maken.
Zodra we de open ruimte betreden zien we in de diepte de Autobahn liggen die langs Kinding scheert. Slechts een heuvelrug scheidt ons dan nog van terrasslemp en douche.
In het restaurantgedeelte van het hotel is een vanochtend aangekondigd feest gaande. Terwijl de fuifnummers met inachtneming van afdoende beschaving hun respectievelijke levers marineren, ontgaat ons een nauwelijks te geringschatten bijdrage van poenerige bolides aan het Kindinger verkeersaanbod bepaald niet. Naarmate de namiddag vordert, mengen zich steeds meer benevelde voetgangers in het straatgewoel. Het keuken- en bedienend personeel schakelt soepel en vruchtbaar over naar het laven en voederen van de hotelgasten.
Dag 7: Kinding – Beilngries (17,4 km)
Zondag 25 mei 2025
In de ontbijtzaal heeft een corporaal studentengezelschap, daarbij inbegrepen de daarmee geassocieerde uitdossing, haardracht en misplaatst aplomb, zich rondom een grote tafel geschaard. Nog voor achten staan de eerste geleegde halveliterbierglazen op de onderzetters en heeft het discours zich in sneltreinvaart in het plebejische spectrum begeven.
Het is grauw en nevelig en het belooft een natte zondag te worden, geheel in overeenstemming met de teneur in het scala van weerapps dat ons ter beschikking staat. De regenmeters kijken echter nog werkloos toe als we het dorp verlaten in de richting van de Altmühl. We zijn vijf minuten onderweg als er direct na de brug een kink in de navigatiekabel komt: de beschrijving gebiedt ons aldaar een trap naar links af te dalen en door het grasland te wandelen. Trap en grasland zijn in een oogwenk gelokaliseerd, doch beneden gekomen verdwijnt het pad binnen een twintigtal meters in het hoge gras en het struikgewas van de uiterwaard. Weer bij de brug ontwaar ik een ongemarkeerd, smal spoor door de berm van de weg en warempel zijn er een weinig verderop een trap en een grasland die evenzeer aansluiten bij de routeaanwijzingen.
"Ja hoor, jochie, je zit goed," bevestigt de gps.
Ter compensatie trekt Pluvius zijn portemonnee teneinde zijn ondergeschikten met tweehonderd procent van het gebruikelijke uurloon te kunnen bezoldigen: de deliverable is een zachte regen.
We gaan omhoog door een halfopen, gemengd bos, een klim van 175 meter over een afstand van twee kilometer. Bij een kruisbeeld, vrijwel recht boven Unteremmendorf, is het uitzicht niet optimaal door het miezerige weer: de kleuren zijn vervaagd en het dal verliest zich in de mistige verte; de heuvels aan de horizon zijn nog juist zichtbaar. De Altmühltal-Panoramaweg doet Unteremmendorf aan, weten wij, maar pas als we de nederzetting in vogelvlucht ruimschoots gepasseerd zijn vinden we een pad dat terugbuigt en er steil naar afloopt.
De Van Paridonnetjes hebben in Unteremmendorf een huns inziens uitstekende plek voor een koffiepauze uit het drijfzand der anonimiteit getrokken, te weten Landgasthof Wagner; wij staan beslist open voor een stukje opwarming naar klamvochtige wandelaars dezes toe. Wij treffen echter eerst een etablissement genaamd Zimmermann op onze weg en besluiten er een kijkje te gaan nemen. De ingang wordt gebarricadeerd door twee vrouwen die, in een poging buiten te gaan roken, met de deurkruk in hun handen staan, en met hun handen in het haar. Zodra we in eendrachtige samenwerking het deurbeslag provisorisch gecompleteerd hebben, gaan we naar binnen, waarbij ik in een vlaag van onachtzaamheid de deur achter me dicht probeer te trekken en het euvel met de deurkruk opnieuw voor het voetlicht treedt. Het moderne, luxueuze interieur en de bekakte sfeer kunnen ons niet in het minst bekoren en we lopen derhalve verder het dorp in, op zoek naar Wagner, maar niet voordat we de klucht met de deurkruk een passend vervolg hebben gegeven. Algauw staan we onverrichter zake aan rand van de bebouwde kom; met hangende pootjes en in een van onderhavige pootjes andermaal een losse deurkruk laten we ons een tafel wijzen bij het deftige Zimmermann*. De cappuccini, de apfelstrudel (voor M.) en de gebonden leversoep (voor scribent dezes) worden met een uiterst afgemeten gezicht opgedist, maar kunnen niettemin onze goedkeuring wegdragen. Buiten hebben de weekendkrachten van de regengod een tandje bijgeschakeld.
Als we de deurkruk ten langen leste bij de receptie hebben afgegeven en op het ontruimde terras staan is het droog geworden. Voor het eerst stuurt de markering ons voor geruimere tijd over de vloer van de vallei, ergens halverwege de rechteroever van de Altmühl en de voet van het hellingbos. We passeren een vakantiepark en een recreatieplas alvorens de brug en een voorrangsweg over te steken. Vanaf hier zien we Beilngries verraderlijk dichtbij liggen, maar de kaart is onverbiddelijk: de route koerst in een halve boog om het staatlich anerkannter Erholungsort heen voor het daadwerkelijk te bereiken; kortom, we zijn pas op de helft.
In Pfraundorf raken we verloren, zodat we ons zien genoodzaakt ons lot in handen van de gps te leggen. Badanhausen en vervolgens een lange, geleidelijke stijging. Kort voor Hirschberg komt de Altmühltal-Panoramaweg met tekens en wat niet al uit een zijpad gemarcheerd; het heeft er alle schijn van dat degenen die voor het onderhoud van het pad verantwoordelijk zijn buiten ons medeweten een aantrekkelijker alternatief hebben gevonden.
We doen een vluchtig heen-en-weertje naar de binnenplaats van slot Hirschberg, een omvangrijk complex met twee markante poorttorens dat menigmaal van eigenaar is gewisseld, gefungeerd heeft als bisschoppenresidentie, grotendeels verwoest werd door blikseminslag en in de stijl van een rococopaleis is herbouwd. Het even gelijknamige als belendende dorp is een klompje vrijstaande huizen, het een behept met smetteloos pleisterwerk, een ander in zekere staat van ontreddering. We raken er het spoor nogmaals bijster, en vinden het weer terug. Voorbij Hirschberg vind ik een plag hoog gras om een kleine bah te doen; ik krijg er gratis en voor niks een wijd uitzicht bij op Beilngries, het Main-Donaukanaal en de heuvels die onderhavige stad en dito waterweg omsluiten.
Een steil dalend pad komt uit bij een passantenhaven, waarna we een smalle strook land tussen het kanaal en het riviertje de Sulz bewandelen. De entree tot Beilngries is niet per se verbluffend: een hotel in ersatz-Toscaanse bouwtrant, een kiosk van de koude grond, een veldje met speeltoestellen, een viaduct en een immense asfaltvlakte, berekend op tientallen touringcars, waar zojuist een Nederlands reisgezelschap arriveert of vertrekt en waar mijn gevoel voor richting mij in de steek laat. Het begint te regenen, maar dat houdt snel weer op. Ten slotte vinden we de Hauptstraße en lopen deze uit tot ons gerenommeerde onderkomen in de schaduw van de St. Walburgakerk, alwaar we beiden een riante kamer krijgen toegewezen. We lessen onze respectievelijke dorst in het luxueuze cafégedeelte met balkenplafond en warmrode muren, smaakvol ingericht met diepe fauteuils, trendy bankstellen en designlampen, waar enige minuten verstrijken alvorens we ons op ons gemak voelen. Na een douche, tijdens welke ik een teek aantref in een huidplooi, begeven we ons naar het knusse restaurant, waar we het aspergemenu nemen.
Het is grauw en nevelig en het belooft een natte zondag te worden, geheel in overeenstemming met de teneur in het scala van weerapps dat ons ter beschikking staat. De regenmeters kijken echter nog werkloos toe als we het dorp verlaten in de richting van de Altmühl. We zijn vijf minuten onderweg als er direct na de brug een kink in de navigatiekabel komt: de beschrijving gebiedt ons aldaar een trap naar links af te dalen en door het grasland te wandelen. Trap en grasland zijn in een oogwenk gelokaliseerd, doch beneden gekomen verdwijnt het pad binnen een twintigtal meters in het hoge gras en het struikgewas van de uiterwaard. Weer bij de brug ontwaar ik een ongemarkeerd, smal spoor door de berm van de weg en warempel zijn er een weinig verderop een trap en een grasland die evenzeer aansluiten bij de routeaanwijzingen.
"Ja hoor, jochie, je zit goed," bevestigt de gps.
Ter compensatie trekt Pluvius zijn portemonnee teneinde zijn ondergeschikten met tweehonderd procent van het gebruikelijke uurloon te kunnen bezoldigen: de deliverable is een zachte regen.
We gaan omhoog door een halfopen, gemengd bos, een klim van 175 meter over een afstand van twee kilometer. Bij een kruisbeeld, vrijwel recht boven Unteremmendorf, is het uitzicht niet optimaal door het miezerige weer: de kleuren zijn vervaagd en het dal verliest zich in de mistige verte; de heuvels aan de horizon zijn nog juist zichtbaar. De Altmühltal-Panoramaweg doet Unteremmendorf aan, weten wij, maar pas als we de nederzetting in vogelvlucht ruimschoots gepasseerd zijn vinden we een pad dat terugbuigt en er steil naar afloopt.
De Van Paridonnetjes hebben in Unteremmendorf een huns inziens uitstekende plek voor een koffiepauze uit het drijfzand der anonimiteit getrokken, te weten Landgasthof Wagner; wij staan beslist open voor een stukje opwarming naar klamvochtige wandelaars dezes toe. Wij treffen echter eerst een etablissement genaamd Zimmermann op onze weg en besluiten er een kijkje te gaan nemen. De ingang wordt gebarricadeerd door twee vrouwen die, in een poging buiten te gaan roken, met de deurkruk in hun handen staan, en met hun handen in het haar. Zodra we in eendrachtige samenwerking het deurbeslag provisorisch gecompleteerd hebben, gaan we naar binnen, waarbij ik in een vlaag van onachtzaamheid de deur achter me dicht probeer te trekken en het euvel met de deurkruk opnieuw voor het voetlicht treedt. Het moderne, luxueuze interieur en de bekakte sfeer kunnen ons niet in het minst bekoren en we lopen derhalve verder het dorp in, op zoek naar Wagner, maar niet voordat we de klucht met de deurkruk een passend vervolg hebben gegeven. Algauw staan we onverrichter zake aan rand van de bebouwde kom; met hangende pootjes en in een van onderhavige pootjes andermaal een losse deurkruk laten we ons een tafel wijzen bij het deftige Zimmermann*. De cappuccini, de apfelstrudel (voor M.) en de gebonden leversoep (voor scribent dezes) worden met een uiterst afgemeten gezicht opgedist, maar kunnen niettemin onze goedkeuring wegdragen. Buiten hebben de weekendkrachten van de regengod een tandje bijgeschakeld.
Als we de deurkruk ten langen leste bij de receptie hebben afgegeven en op het ontruimde terras staan is het droog geworden. Voor het eerst stuurt de markering ons voor geruimere tijd over de vloer van de vallei, ergens halverwege de rechteroever van de Altmühl en de voet van het hellingbos. We passeren een vakantiepark en een recreatieplas alvorens de brug en een voorrangsweg over te steken. Vanaf hier zien we Beilngries verraderlijk dichtbij liggen, maar de kaart is onverbiddelijk: de route koerst in een halve boog om het staatlich anerkannter Erholungsort heen voor het daadwerkelijk te bereiken; kortom, we zijn pas op de helft.
In Pfraundorf raken we verloren, zodat we ons zien genoodzaakt ons lot in handen van de gps te leggen. Badanhausen en vervolgens een lange, geleidelijke stijging. Kort voor Hirschberg komt de Altmühltal-Panoramaweg met tekens en wat niet al uit een zijpad gemarcheerd; het heeft er alle schijn van dat degenen die voor het onderhoud van het pad verantwoordelijk zijn buiten ons medeweten een aantrekkelijker alternatief hebben gevonden.
We doen een vluchtig heen-en-weertje naar de binnenplaats van slot Hirschberg, een omvangrijk complex met twee markante poorttorens dat menigmaal van eigenaar is gewisseld, gefungeerd heeft als bisschoppenresidentie, grotendeels verwoest werd door blikseminslag en in de stijl van een rococopaleis is herbouwd. Het even gelijknamige als belendende dorp is een klompje vrijstaande huizen, het een behept met smetteloos pleisterwerk, een ander in zekere staat van ontreddering. We raken er het spoor nogmaals bijster, en vinden het weer terug. Voorbij Hirschberg vind ik een plag hoog gras om een kleine bah te doen; ik krijg er gratis en voor niks een wijd uitzicht bij op Beilngries, het Main-Donaukanaal en de heuvels die onderhavige stad en dito waterweg omsluiten.
Een steil dalend pad komt uit bij een passantenhaven, waarna we een smalle strook land tussen het kanaal en het riviertje de Sulz bewandelen. De entree tot Beilngries is niet per se verbluffend: een hotel in ersatz-Toscaanse bouwtrant, een kiosk van de koude grond, een veldje met speeltoestellen, een viaduct en een immense asfaltvlakte, berekend op tientallen touringcars, waar zojuist een Nederlands reisgezelschap arriveert of vertrekt en waar mijn gevoel voor richting mij in de steek laat. Het begint te regenen, maar dat houdt snel weer op. Ten slotte vinden we de Hauptstraße en lopen deze uit tot ons gerenommeerde onderkomen in de schaduw van de St. Walburgakerk, alwaar we beiden een riante kamer krijgen toegewezen. We lessen onze respectievelijke dorst in het luxueuze cafégedeelte met balkenplafond en warmrode muren, smaakvol ingericht met diepe fauteuils, trendy bankstellen en designlampen, waar enige minuten verstrijken alvorens we ons op ons gemak voelen. Na een douche, tijdens welke ik een teek aantref in een huidplooi, begeven we ons naar het knusse restaurant, waar we het aspergemenu nemen.
*Na thuiskomst blijkt het te handelen om een en dezelfde zaak, die het behaagt met een dubbele naam door het leven te gaan.
Dag 8: Beilngries – Obereggersberg – Prunn (24,9 km)
Maandag 26 mei 2025
Met het oog op de lengte van de koningsetappe van vandaag zitten we om 7.30 uur aan de ontbijtdis, en leveren een stief uur later onze kamersleutels in. We lopen nog wat rond in het stadje en gaan dan op pad.
Na een buiige nacht vallen er allengs meer blauwe gaten in het wolkendek. Aan gene zijde van de ringweg vinden we de tekens van de Altmühltal-Panoramaweg terug en vatten we de bedwinging van de Arzberg aan, een langgerekte, eenzame heuvel die in de oksel van de Altmühl en het Main-Donaukanaal ligt. Vanaf een uitzichtpunt kijken we voor het laatst neer op Beilngries, de zogenoemde stad van de torens – negen stuks volgens de literatuur, doch wij zien slechts de twee kerktorens en een hijskraan. Na de gestage klim volgen we een gelijkmatig pad door een halfopen, tamelijk kleurloos bos, dat zich later versmalt tot een struinpaadje door lang gras. In Töging hebben we ruim acht kilometer van de dagafstand af gesnoept en gaan we nog één keer een brug over de Altmühl over, voordat deze samenvloeit met het Main-Donaukanaal. Aan de rand van een groot grasveld staat een informatiepaneel over een Biberspielplatz.
"Het zou wel aardig zijn als Justin Bieber hier eens zou komen spelen," opper ik, een voetnoot die in een alledaagse omgeving zoals op kantoor louter zou kunnen rekenen op hoofdschudden dan wel schouderophalen op een bedje van pijnlijke stilte.
Te Einsiedel, niet meer dan een paar huizen, eten we ons brood op een bankje naast een wegkapel, inmiddels in een zonnige warmte.
Een breed karrenspoor voert pal langs het Main-Donaukanaal, dat vanaf Dietfurt – dat we vlak na Töging ongemerkt zijn gepasseerd – totdat het de Donau ontmoet parasiteert op de verbrede bedding van de Altmühl en daardoor een natuurlijker verloop kent dan een liniaalrecht huis-tuin-en-keukenkanaal. Daar waar we het weer hogerop zoeken zien we een kilometer of vijf stroomafwaarts onze bestemming al liggen, slot Eggersberg. We wandelen beurtelings langs en in de bosrand, ons magnifieke panorama's vergunnend op de tegenovergelegen dalwand, waarop enkele rotsformaties zich boven het gebladerte verheffen. We schampen Deising; het routeboekje tipt een aldare pleisterplaats – ik citeer – "waar koffie met huisgemaakte taart wordt geserveerd door een vriendelijke, praatgrage eigenaresse." We kiezen ervoor te passen, vermits we nog het lieve sommetje van zeven kilometer voor de boeg hebben, buiten de extra kilometer opofferingsgezindheid die het oponthoud zou vergen.
Het bewegwijzerde traject permitteert zich een grote lus, aanvankelijk door een glooiende uitgestrektheid en na een scherpe afslag naar links bergafwaarts door een fraai hellingbos. In Altmühlmünster, een lintdorp aan weerszijden van een smalle beek, worden we gegroet door de plaatselijke jeugd. Op een paadje bovenlangs een doorgaande weg laden we ons op voor de – in dit geval multi-interpretabele – slotklim naar Obereggersberg, waar we voor de ingang naar het slot in de ankers gaan.
Het monumentale kasteel, het daarin gevestigde hotel-restaurant incluis, is gesloten. Nadat we ons onderdak in Prunn hebben laten weten dat we wensen te worden opgehaald lopen we nog even rond de verlatenheid van de voormalige vesting, die in de jaren zestig van de vorige eeuw ten prooi leek te vallen aan verloedering en thans eenzelfde lot lijkt beschoren. Door een vriendelijke, doch allesbehalve praatgrage knakker, naar ik vermoed van Kroatische komaf, respectievelijk zijn muf riekende bolide, worden we naar het hotel getransfereerd, aan de voet van de hoge rots die slot Prunn draagt, de zoveelste ridderburcht en route.
We melden ons aan de receptie, in hetzelfde gebouw dat tevens een bar en een enorme, nostalgische eetzaal huisvest en grenst aan een groot buitenterras en een speeltuintje; het gastenverblijf bevindt zich in een separate opstal.
Waar zijn we in godsnaam terechtgekomen? denken M. en ik simultaan.
De onthaalruimte is een augiasstal uit het boekje, een ware hel voor accountants: verspreid over de balie, de stellingkasten en de vloer slingeren paperassen, invulformulieren, mappen, kaarsen, familieportretten, folders, kaartmateriaal, speelgoed, rekenmachines en prullariavaria; in alle windstreken zijn uitpuilende ringbanden en brievenbakken schots en scheef opgetast. Het logies wordt gedreven door een lichtelijk sjofel ogend echtpaar, waarvan de mannelijke wederhelft ten minste twintig jaar ouder schijnt dan zijn geslachtelijke tegenpool. M.'s keycard geeft geen sjoege, en zodra deze is vervangen door een functionerend exemplaar blijkt zijn kamer een poor man's sauna te zijn. Beiden zien we vanuit ons slaapvertrek uit op het slot, ware het niet dat een grote boom zich luidkeels als voorgrond opdringt. Onder ons raam klinken de bellen van geiten en schapen, gezellig bij daglicht, doch evengoed een fenomeen dat onze welverdiende nachtrust in potentie zou kunnen fnuiken.
Niettemin zou de balans over twee nachtjes slapen, als we in de richting van Kelheim trekken, positief uitslaan.
We drinken een groot glas Apfelschorle op het uitgestorven terras, nog niet in het spreekwoordelijke snotje hebbende dat er een grote vitrine met huisgebakken taart is. De maaltijd is eenvoudig, maar eerlijk en smakelijk: Pfannkuchensuppe (een bouillon met deegreepjes), een slaatje, frites met vlees en ijs toe, een en ander kennelijk bereid door de Kroaat die we op een gegeven moment getooid in kokskostuum uit de keuken tevoorschijn zien komen. We worden voorkomend bediend door de dochter des huizes – of de kleindochter, daar moeten we het antwoord schuldig blijven. Ze is ons bovengemiddeld van dienst inzake het maken van een keuze uit het royale bier- en schnapsassortiment (Blutwurz, qua digestief en naam). Onderwijl gebruiken haar (groot)vader en (groot)moeder een sobere maaltijd aan de leestafel.
Na een buiige nacht vallen er allengs meer blauwe gaten in het wolkendek. Aan gene zijde van de ringweg vinden we de tekens van de Altmühltal-Panoramaweg terug en vatten we de bedwinging van de Arzberg aan, een langgerekte, eenzame heuvel die in de oksel van de Altmühl en het Main-Donaukanaal ligt. Vanaf een uitzichtpunt kijken we voor het laatst neer op Beilngries, de zogenoemde stad van de torens – negen stuks volgens de literatuur, doch wij zien slechts de twee kerktorens en een hijskraan. Na de gestage klim volgen we een gelijkmatig pad door een halfopen, tamelijk kleurloos bos, dat zich later versmalt tot een struinpaadje door lang gras. In Töging hebben we ruim acht kilometer van de dagafstand af gesnoept en gaan we nog één keer een brug over de Altmühl over, voordat deze samenvloeit met het Main-Donaukanaal. Aan de rand van een groot grasveld staat een informatiepaneel over een Biberspielplatz.
"Het zou wel aardig zijn als Justin Bieber hier eens zou komen spelen," opper ik, een voetnoot die in een alledaagse omgeving zoals op kantoor louter zou kunnen rekenen op hoofdschudden dan wel schouderophalen op een bedje van pijnlijke stilte.
Te Einsiedel, niet meer dan een paar huizen, eten we ons brood op een bankje naast een wegkapel, inmiddels in een zonnige warmte.
Een breed karrenspoor voert pal langs het Main-Donaukanaal, dat vanaf Dietfurt – dat we vlak na Töging ongemerkt zijn gepasseerd – totdat het de Donau ontmoet parasiteert op de verbrede bedding van de Altmühl en daardoor een natuurlijker verloop kent dan een liniaalrecht huis-tuin-en-keukenkanaal. Daar waar we het weer hogerop zoeken zien we een kilometer of vijf stroomafwaarts onze bestemming al liggen, slot Eggersberg. We wandelen beurtelings langs en in de bosrand, ons magnifieke panorama's vergunnend op de tegenovergelegen dalwand, waarop enkele rotsformaties zich boven het gebladerte verheffen. We schampen Deising; het routeboekje tipt een aldare pleisterplaats – ik citeer – "waar koffie met huisgemaakte taart wordt geserveerd door een vriendelijke, praatgrage eigenaresse." We kiezen ervoor te passen, vermits we nog het lieve sommetje van zeven kilometer voor de boeg hebben, buiten de extra kilometer opofferingsgezindheid die het oponthoud zou vergen.
Het bewegwijzerde traject permitteert zich een grote lus, aanvankelijk door een glooiende uitgestrektheid en na een scherpe afslag naar links bergafwaarts door een fraai hellingbos. In Altmühlmünster, een lintdorp aan weerszijden van een smalle beek, worden we gegroet door de plaatselijke jeugd. Op een paadje bovenlangs een doorgaande weg laden we ons op voor de – in dit geval multi-interpretabele – slotklim naar Obereggersberg, waar we voor de ingang naar het slot in de ankers gaan.
Het monumentale kasteel, het daarin gevestigde hotel-restaurant incluis, is gesloten. Nadat we ons onderdak in Prunn hebben laten weten dat we wensen te worden opgehaald lopen we nog even rond de verlatenheid van de voormalige vesting, die in de jaren zestig van de vorige eeuw ten prooi leek te vallen aan verloedering en thans eenzelfde lot lijkt beschoren. Door een vriendelijke, doch allesbehalve praatgrage knakker, naar ik vermoed van Kroatische komaf, respectievelijk zijn muf riekende bolide, worden we naar het hotel getransfereerd, aan de voet van de hoge rots die slot Prunn draagt, de zoveelste ridderburcht en route.
We melden ons aan de receptie, in hetzelfde gebouw dat tevens een bar en een enorme, nostalgische eetzaal huisvest en grenst aan een groot buitenterras en een speeltuintje; het gastenverblijf bevindt zich in een separate opstal.
Waar zijn we in godsnaam terechtgekomen? denken M. en ik simultaan.
De onthaalruimte is een augiasstal uit het boekje, een ware hel voor accountants: verspreid over de balie, de stellingkasten en de vloer slingeren paperassen, invulformulieren, mappen, kaarsen, familieportretten, folders, kaartmateriaal, speelgoed, rekenmachines en prullariavaria; in alle windstreken zijn uitpuilende ringbanden en brievenbakken schots en scheef opgetast. Het logies wordt gedreven door een lichtelijk sjofel ogend echtpaar, waarvan de mannelijke wederhelft ten minste twintig jaar ouder schijnt dan zijn geslachtelijke tegenpool. M.'s keycard geeft geen sjoege, en zodra deze is vervangen door een functionerend exemplaar blijkt zijn kamer een poor man's sauna te zijn. Beiden zien we vanuit ons slaapvertrek uit op het slot, ware het niet dat een grote boom zich luidkeels als voorgrond opdringt. Onder ons raam klinken de bellen van geiten en schapen, gezellig bij daglicht, doch evengoed een fenomeen dat onze welverdiende nachtrust in potentie zou kunnen fnuiken.
Niettemin zou de balans over twee nachtjes slapen, als we in de richting van Kelheim trekken, positief uitslaan.
We drinken een groot glas Apfelschorle op het uitgestorven terras, nog niet in het spreekwoordelijke snotje hebbende dat er een grote vitrine met huisgebakken taart is. De maaltijd is eenvoudig, maar eerlijk en smakelijk: Pfannkuchensuppe (een bouillon met deegreepjes), een slaatje, frites met vlees en ijs toe, een en ander kennelijk bereid door de Kroaat die we op een gegeven moment getooid in kokskostuum uit de keuken tevoorschijn zien komen. We worden voorkomend bediend door de dochter des huizes – of de kleindochter, daar moeten we het antwoord schuldig blijven. Ze is ons bovengemiddeld van dienst inzake het maken van een keuze uit het royale bier- en schnapsassortiment (Blutwurz, qua digestief en naam). Onderwijl gebruiken haar (groot)vader en (groot)moeder een sobere maaltijd aan de leestafel.
Dag 9: Prunn – Obereggersberg – Prunn (17,5 km)
Dinsdag 27 mei 2025
Na een overvloedig ontbijt – een schaal roerei ter grootte van een paellapan steelt de show – stappen we boerend in de morsige, bedompte auto van de waard teneinde de Altmühltal-Panoramaweg te Obereggersberg te kunnen hervatten. Hij manoeuvreert zijn vierwieler met souplesse doorheen de krappe stegen van Riedenburg, compenseert dit door een verkeerde afslag te nemen en verstrikt te raken in de sloppen van Harlanden, en zet ons ten langen leste af op de driesprong waar we gisteren de tocht afbraken. Het is vooralsnog stralend weer; rond het middaguur zou de hemel echter dichttrekken en zou de barometer terug gaan lopen.
Hemelsbreed is het een slordige twee kilometer gaans naar Riedenburg, doch de Top-Trail doet er het vijfvoudige over, vermits zijn concept nu eenmaal dicteert zoveel mogelijk de loop van de rivier respectievelijk het kanaal te volgen – in dit specifieke geval een royale, hoefijzervormige bocht. Onze voetweg verdwijnt onder de bomen, komt weer onder het vrije uitspansel ter hoogte van het spiegelgladde oppervlak van een afgesneden meander, wordt een oeverpad, kiest de tegenovergelegen wal en kronkelt door Gundlfing, dat wordt mismaakt door een roedel industriële panden en een haveloze hotelmoloch. Aansluitend wordt onze conditie danig op de proef gesteld op de Keutenberg van de Altmühltal-Panoramaweg: moeizaam, M. bij tijd en wijle met handen en voeten, gaan we de strijd aan met het brute hellingspercentage van tweeëntwintig-en-nog-wat procent. Bovengekomen nemen we de tijd om op verhaal te komen.
Bossen en geweldige ruimtes wisselen elkaar af totdat een parkeerplaats de Teufelsfelsen aankondigt, een illuster uitzichtpunt dat daarnaast is geoutilleerd met een houten schans ten behoeve van deltavliegers. Het voorgeschotelde panorama heeft echter zo weinig om het lijf dat ik de Teufelsfelsen pas als zodanig identificeer als ik na terugkeer in het hotel de kaart raadpleeg tijdens het bijwerken van mijn aantekeningen. Riedenburg en het omliggende trio van kastelen worden voorshands aan het gezicht onttrokken door de linkerdalwand; diep beneden ons ligt het onbeduidende Haidhof, met een grote fabriekshal als pièce de résistance. We vinden even verderop een picknicktafel uit de wind, waar we onze broodjes aan onze maagsappen toevertrouwen.
Het al met al niet bijster inspirerende hoefijzertraject komt in de afrondende fase in een slordig bos; een drukke weg komt binnen handbereik en trekt zich weer terug. Ten slotte zakken we steil af naar de zelfverklaarde Drei-Burgen-Stadt, een popperig plaatsje met een Willemstad-esk regiment voormalige pakhuizen in Jan des Bouvrie-tinten langs de kanaalkade, dat we staand in het midden van de lokale pendant van de Pontjesbrug bewonderen alvorens we achter het even zalmroze als gewezen raadhuis een bescheiden geproportioneerd terras opzoeken. De hipstergerant reikt ons apfelstrudel en cappuccino met pointillistische latte-art aan.
Ter hoogte van de laatste huizen van Riedenburg bevindt zich een knooppunt van wandelpaden met het bijkomende Schilderwald; een omineus bordje "Nur für geübte Wanderer" wijst in de richting die wij geacht worden op te gaan. Wij, door de wol geverfd, gepokt, gemazeld en niet vies van een heroïsch kunststukje meer of minder, laten ons echter daardoor niet uit het veld slaan en volgen dienaangaande het onverschrokken voorbeeld van de Van Paridonnetjes, die zich tijdens de totstandkoming van onderhavig arrangement evenmin lieten imponeren: "[...] dit vonden wij erg overdreven. Het zijn slechts enkele trapjes, waar je je aan een stevige leuning vast kunt houden." Aanvankelijk gaat het vals plat omhoog door een licht bos dat voldoende gelegenheid biedt om de verte in te kijken. Een tweede waarschuwing "Nur für geübte Wanderer", groter en kanariegeel ditmaal, bovendien aangevuld met een omleidingsroute voor de wandel-rookies. Even later passeren we een derde bord, en een vierde, en een vijfde, elkaar steeds sneller opvolgend. Zou ons dan toch het Beierse neefje van de Boliviaanse Death Road te wachten staan, waar elke misstap met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid tot een roemloze dood leidt? De afschrikkingstactiek van onze oosterburen blijkt aan het pathetische te grenzen: het pad mondt uit in een poor man's Malerweg, die zich via gezekerde trappen door een Klamm – of, beter gezegd, een klammetje – perst, langs hemelbestormende rotspartijen, knoestige bomen en Tsjernobylgroene moskussens; een passage derhalve, zoals we die twee jaar geleden in de Sächsische Schweiz op dagdagelijkse basis tegen het bezwete lijf liepen. Halverwege leidt een dwarspaadje naar een plateautje, waar mij een adembenemend vergezicht over de rotsige vallei toekomt, met aan gene zijde het slot van Prunn.
Na dit onbetwiste hoogtepunt wandelen we zigzaggend tussen de bomen naar beneden, wisselen nogmaals van oever en volgen dan een geasfalteerde ventweg parallel aan een hoofdverkeersader, recht op ons doel af: het hotelterras, waar we de dorst lessen met een ijskoud, parelend glas Apfelschorle. Ook het restant van de avond is in eerste instantie een herhaling van zetten: wij krijgen goed te eten, terwijl de hotelhouders zich beperken tot crackers met beleg. Later vervoegen vier vrienden op leeftijd zich bij het koppel; zonder omhaal van woorden komt een stok kaarten ter tafel. Terwijl het spel zich ontwikkelt worden enige boodschappen uitgewisseld, waarvan wij geen garen kunnen spinnen. Er druppelt nog een handvol eters binnen, waaronder enkele wielrenners.
Hemelsbreed is het een slordige twee kilometer gaans naar Riedenburg, doch de Top-Trail doet er het vijfvoudige over, vermits zijn concept nu eenmaal dicteert zoveel mogelijk de loop van de rivier respectievelijk het kanaal te volgen – in dit specifieke geval een royale, hoefijzervormige bocht. Onze voetweg verdwijnt onder de bomen, komt weer onder het vrije uitspansel ter hoogte van het spiegelgladde oppervlak van een afgesneden meander, wordt een oeverpad, kiest de tegenovergelegen wal en kronkelt door Gundlfing, dat wordt mismaakt door een roedel industriële panden en een haveloze hotelmoloch. Aansluitend wordt onze conditie danig op de proef gesteld op de Keutenberg van de Altmühltal-Panoramaweg: moeizaam, M. bij tijd en wijle met handen en voeten, gaan we de strijd aan met het brute hellingspercentage van tweeëntwintig-en-nog-wat procent. Bovengekomen nemen we de tijd om op verhaal te komen.
Bossen en geweldige ruimtes wisselen elkaar af totdat een parkeerplaats de Teufelsfelsen aankondigt, een illuster uitzichtpunt dat daarnaast is geoutilleerd met een houten schans ten behoeve van deltavliegers. Het voorgeschotelde panorama heeft echter zo weinig om het lijf dat ik de Teufelsfelsen pas als zodanig identificeer als ik na terugkeer in het hotel de kaart raadpleeg tijdens het bijwerken van mijn aantekeningen. Riedenburg en het omliggende trio van kastelen worden voorshands aan het gezicht onttrokken door de linkerdalwand; diep beneden ons ligt het onbeduidende Haidhof, met een grote fabriekshal als pièce de résistance. We vinden even verderop een picknicktafel uit de wind, waar we onze broodjes aan onze maagsappen toevertrouwen.
Het al met al niet bijster inspirerende hoefijzertraject komt in de afrondende fase in een slordig bos; een drukke weg komt binnen handbereik en trekt zich weer terug. Ten slotte zakken we steil af naar de zelfverklaarde Drei-Burgen-Stadt, een popperig plaatsje met een Willemstad-esk regiment voormalige pakhuizen in Jan des Bouvrie-tinten langs de kanaalkade, dat we staand in het midden van de lokale pendant van de Pontjesbrug bewonderen alvorens we achter het even zalmroze als gewezen raadhuis een bescheiden geproportioneerd terras opzoeken. De hipstergerant reikt ons apfelstrudel en cappuccino met pointillistische latte-art aan.
Ter hoogte van de laatste huizen van Riedenburg bevindt zich een knooppunt van wandelpaden met het bijkomende Schilderwald; een omineus bordje "Nur für geübte Wanderer" wijst in de richting die wij geacht worden op te gaan. Wij, door de wol geverfd, gepokt, gemazeld en niet vies van een heroïsch kunststukje meer of minder, laten ons echter daardoor niet uit het veld slaan en volgen dienaangaande het onverschrokken voorbeeld van de Van Paridonnetjes, die zich tijdens de totstandkoming van onderhavig arrangement evenmin lieten imponeren: "[...] dit vonden wij erg overdreven. Het zijn slechts enkele trapjes, waar je je aan een stevige leuning vast kunt houden." Aanvankelijk gaat het vals plat omhoog door een licht bos dat voldoende gelegenheid biedt om de verte in te kijken. Een tweede waarschuwing "Nur für geübte Wanderer", groter en kanariegeel ditmaal, bovendien aangevuld met een omleidingsroute voor de wandel-rookies. Even later passeren we een derde bord, en een vierde, en een vijfde, elkaar steeds sneller opvolgend. Zou ons dan toch het Beierse neefje van de Boliviaanse Death Road te wachten staan, waar elke misstap met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid tot een roemloze dood leidt? De afschrikkingstactiek van onze oosterburen blijkt aan het pathetische te grenzen: het pad mondt uit in een poor man's Malerweg, die zich via gezekerde trappen door een Klamm – of, beter gezegd, een klammetje – perst, langs hemelbestormende rotspartijen, knoestige bomen en Tsjernobylgroene moskussens; een passage derhalve, zoals we die twee jaar geleden in de Sächsische Schweiz op dagdagelijkse basis tegen het bezwete lijf liepen. Halverwege leidt een dwarspaadje naar een plateautje, waar mij een adembenemend vergezicht over de rotsige vallei toekomt, met aan gene zijde het slot van Prunn.
Na dit onbetwiste hoogtepunt wandelen we zigzaggend tussen de bomen naar beneden, wisselen nogmaals van oever en volgen dan een geasfalteerde ventweg parallel aan een hoofdverkeersader, recht op ons doel af: het hotelterras, waar we de dorst lessen met een ijskoud, parelend glas Apfelschorle. Ook het restant van de avond is in eerste instantie een herhaling van zetten: wij krijgen goed te eten, terwijl de hotelhouders zich beperken tot crackers met beleg. Later vervoegen vier vrienden op leeftijd zich bij het koppel; zonder omhaal van woorden komt een stok kaarten ter tafel. Terwijl het spel zich ontwikkelt worden enige boodschappen uitgewisseld, waarvan wij geen garen kunnen spinnen. Er druppelt nog een handvol eters binnen, waaronder enkele wielrenners.
Dag 10: Prunn – Kelheim (18,8 km)
Woensdag 28 mei 2025
Als we zitten te ontbijten en het proviand voor onderweg klaarmaken, vervoegt een aantal andere gasten zich naar de eetzaal. Op de radio wordt het weerbericht voorgedragen en dat belooft weinig goeds. Inderdaad zit de lucht potdicht, een waterige lucht bovendien, maar als we vertrekken is het droog. Onmiddellijk klimmen we het Altmühltal uit, over een breed pad – de facto een weggetje – in de richting van het slot van Prunn. Met betrekkelijk gemak komen we boven en terwijl we vanaf de binnenplaats van het twaalfde-eeuwse, in oude luister herstelde kasteel het dal in kijken begint het te spetteren. We steken een verlaten parkeerplaats schuin over en volgen dan ettelijke fantasieloze zand- en grindwegen onder een koepel van groen, totdat we aan de bosrand komen en fraaie vergezichten over de rotsige hellingen zich aan ons ontplooien. Aan de rand van het plateau ziet een volgende kasteelruïne uit over het kanaal. De enige dissonant is de hinderlijke aanwezigheid van een autoweg waarover voortdurend zwaar verkeer raast.
Aan de overzijde van de naar verluidt langste houten voetgangersbrug van Europa, waar een schare kinderen staat te ravotten, aarzel ik even: een teken wijst hier westwaarts, ondanks dat het oeverpad in de tegenovergestelde richting meer voor de hand ligt. Bij twijfel te allen tijde de markering volgen, luidt een onder wandelaars bekend devies, ergo, zo gezegd, zo gedaan. Al snel slaan we een pad in de bosrand in dat terugbuigt naar het oosten en wordt de bedoeling van de routeontwerpers duidelijk: we hadden nog niet genoeg bos voor onze respectievelijke kiezen gehad.
Ter hoogte van een ver boven ons uit torenende rotswand verleggen we onze koers naar het zuiden en nemen we voorgoed afscheid van het Altmühltal. Tijdens onze rustpauze honderd meter verderop heeft Pluvius zijn hemelsluiswachters kennelijk opgedragen de handen eens duchtig te laten wapperen; wij treffen passende maatregelen. Met gestrekte pas zigzaggen we voor de laatste maal bergopwaarts en bereiken zodoende de Keltenwall, onderdeel van een tweeduizend jaar geleden opgeworpen ringwal ter bescherming van het Keltische Alkimoennis, toentertijd de op een na grootste nederzetting van Zuid-Duitsland. In onze beleving is echter alleen het weer – het giet op onbarmhartige wijze – uitgesproken Keltisch; voor het overige kost het ons het nodige voorstellingsvermogen om er meer dan een triviaal dijkje door het bos in te zien. We hoeven het pad slechts te delen met drie in het oog springende, geel-zwarte vuursalamanders, die niet in paniek raken als we passeren. Het zijn nachtdieren, maar ze laten zich ook overdag zien als na een droge periode de regen op het bladerdak ruist, zoals nu het geval is. De groene overhuiving van de Keltenwall is zo lek als een mandje, zodat we evengoed kletsnat worden.
We worden verrast door een wegomlegging; het zuidelijke uiteinde van de wal is tot nader orde onbegaanbaar. Er wordt ons een keuze voorgelegd: links gaat de Altmühltal-Panoramaweg verder, een pad naar rechts voert naar de aanlegsteiger van een voetveer dat ons over de Donau naar het klooster Weltenburg brengen kan, fotogeniek gesitueerd aan de binnenbocht van een krappe, rotsachtige meander in de rivier. Het complex geniet faam vanwege de abdijkerk in barokstijl en een van de oudste, nog operationele bierbrouwerijen ter wereld; daarnaast kunnen we er – ik citeer het routeboekje – "op de binnenplaats genieten van een drankje of een kop koffie." Hetzelfde "bruine stukje" weet echter te melden dat de veerman of -vrouw bij slecht weer denkelijk schittert door afwezigheid; en mocht het pontje desondanks varen, dan worden wij niet bepaald warm van het idee in de stromende regen te worden overgezet in een onoverdekt bootje. De beslissing om linksaf te slaan komt dan ook, in tegenstelling tot het hemelwater, niet uit de lucht vallen.
We krijgen een omleiding gepresenteerd over kaarsrechte, brede zandwegen door eentonig bos. Flashbacks naar de laatste kilometers van de Schluchtensteig, evenmin de gehoopte apotheose van een overigens grandioze langeafstandswandeling, schieten door mijn hoofd.
"Ik ben ook wel klaar met dat fucking bos," laat de zelfbenoemde koning van de nuance zich ontvallen.
Juist als M. stoom heeft afgeblazen, wordt alles anders: niet alleen maakt het geboomte plaats voor verwilderde weilandjes, bovendien knapt het weer op. Even later staan we aan de oever van de Donau, die zich ter hoogte van waar we ons nu bevinden door een smalle kloof perst, de zogeheten Weltenburger Enge, met aan weerszijden steil oplopende hellingbossen en tientallen meters hoge, verticale rotsmuren. Een rondvaartboot bromt traag voorbij, tegen de sterke stroming in, zonder twijfel op weg naar het klooster van Weltenburg. De abdij bevindt zich voorbij een bocht, buiten ons gezichtsveld, en we geloven het verder wel. We volgen een geasfalteerd pad naar links langs het water door het spectaculaire doorbraakdal, onderlangs rotspartijen, voorwaar een waardig slot van onze trektocht. We passeren nog een verwaarloosd klooster waar in het weekend koffie schijnt te worden geschonken en zien in de verte de Befreiungshalle opdoemen, een megalomaan bouwwerk dat halverwege de negentiende eeuw in opdracht van de toenmalige koning van Beieren bovenop een heuvel is opgetrokken ter herdenking van een resem gewonnen veldslagen tegen het leger van ene Napoleon.
Achter ons pakken gitzwarte wolken zich samen boven de Donau en we spoeden ons daarom in de richting van de Altstadt van Kelheim, hollen onder een van de stadspoorten door en zoeken en vinden beschutting tegen een bui die nooit zou losbarsten in de eerste de beste Konditorei. Het etablissement lijkt als twee druppels water op café Wanders, in een inmiddels grijs verleden vaste prik bij onze bezoekjes aan Kleef: twee etages, verbonden door een welhaast koninklijk geproportioneerde wenteltrap, achter de ingang een grote vitrine met tientallen soorten gebak en taart, aangesneden in gulle porties, dezelfde oubollige inrichting, dezelfde gastvrijheid, dezelfde voortreffelijke cappuccino die in dezelfde koppen als soepkommen wordt opgediend en hetzelfde microklimaat (warm). We voelen ons er derhalve meteen op ons gemak. Er is de nodige aanloop, doch we vinden op de tweede verdieping een tafeltje aan het raam, vanwaar we de winkelstraat in kijken. We hangen onze natte kledij te drogen over de twee vrije stoelen naast ons, geven beneden onze bestelling door en zien, terwijl we smullen van het gebodene, een blauw toeristentreintje voorbij tuffen, zonder passagiers. M. maakt me attent op een klein verschil tussen Wanders en onderhavige zaak: zijn latte-art heeft de onmiskenbare vorm van twee tepels, een libertijnse frivoliteit die in het Kleef van vijftien jaar geleden ondenkbaar zou zijn geweest.
Kaart noch routebeschrijving geven voldoende uitsluitsel over de locatie van het officiële eindpunt van de Altmühltal-Panoramaweg. Als we het in de gauwigheid niet kunnen vinden, besluiten we de queeste na de avondmaaltijd te hervatten en intensiveren, en wandelen we linea recta naar ons onderkomen, waar we hartelijk worden verwelkomd en een kamer krijgen in een annex gebouw aan de als Biergarten ingerichte binnenplaats. We gaan aan tafel in een hoek van het restaurant, naast een vrouw alleen die een boek leest, en worden op een zakelijke en vriendelijke manier geholpen door een serveerster in regionale kleding. Zoals elke avond, behoudens die in Mörnsheim, krijgen we een driegangenmenu, waarbij we een keuze mogen maken uit verschillende hoofdgerechten; ik opteer voor de vis met aardappelsalade, tot grote tevredenheid voor- en achteraf.
In de avondschemering lopen we hartje Kelheim om, maar hoe we ook zoeken, op de centraal gelegen Ludwigsplatz en rond de voetgangersbrug over het Main-Donaukanaal, een als zodanig herkenbare finish van het afgelopen middag door ons voltooide pad lijkt ten enenmale te ontbreken. Met een markering op een anoniem verkeersbord, daar waar de Donaustraße uitmondt in de Ludwigsplatz, is het waarachtig lulligheid troef; bij de meet van de Eifelsteig (op een parkeerplaats onder de rook van Trier) en die van de West Highland Way (voor een rotonde aan de rand van Fort William) stond tenminste nog een informatiepaneel. Buiten wat opgeschoten jeugd zijn de straten uitgestorven; in de voordelig ogende winkelpanden zijn ondernemingen als dönerzaken en andere goedkope eetgelegenheden, tweedehandswinkels, reisbureaus en nagelstudio's neergestreken. Gesandwicht tussen de historische bebouwing aan het plein en de kerk is een gedrochtelijke blokkendoos, waarin een drogisterij is gehuisvest. Wat ik tracht te beschrijven is een troosteloze ambiance, een vage herinnering aan een oud, levendig stadje.
Aan de overzijde van de naar verluidt langste houten voetgangersbrug van Europa, waar een schare kinderen staat te ravotten, aarzel ik even: een teken wijst hier westwaarts, ondanks dat het oeverpad in de tegenovergestelde richting meer voor de hand ligt. Bij twijfel te allen tijde de markering volgen, luidt een onder wandelaars bekend devies, ergo, zo gezegd, zo gedaan. Al snel slaan we een pad in de bosrand in dat terugbuigt naar het oosten en wordt de bedoeling van de routeontwerpers duidelijk: we hadden nog niet genoeg bos voor onze respectievelijke kiezen gehad.
Ter hoogte van een ver boven ons uit torenende rotswand verleggen we onze koers naar het zuiden en nemen we voorgoed afscheid van het Altmühltal. Tijdens onze rustpauze honderd meter verderop heeft Pluvius zijn hemelsluiswachters kennelijk opgedragen de handen eens duchtig te laten wapperen; wij treffen passende maatregelen. Met gestrekte pas zigzaggen we voor de laatste maal bergopwaarts en bereiken zodoende de Keltenwall, onderdeel van een tweeduizend jaar geleden opgeworpen ringwal ter bescherming van het Keltische Alkimoennis, toentertijd de op een na grootste nederzetting van Zuid-Duitsland. In onze beleving is echter alleen het weer – het giet op onbarmhartige wijze – uitgesproken Keltisch; voor het overige kost het ons het nodige voorstellingsvermogen om er meer dan een triviaal dijkje door het bos in te zien. We hoeven het pad slechts te delen met drie in het oog springende, geel-zwarte vuursalamanders, die niet in paniek raken als we passeren. Het zijn nachtdieren, maar ze laten zich ook overdag zien als na een droge periode de regen op het bladerdak ruist, zoals nu het geval is. De groene overhuiving van de Keltenwall is zo lek als een mandje, zodat we evengoed kletsnat worden.
We worden verrast door een wegomlegging; het zuidelijke uiteinde van de wal is tot nader orde onbegaanbaar. Er wordt ons een keuze voorgelegd: links gaat de Altmühltal-Panoramaweg verder, een pad naar rechts voert naar de aanlegsteiger van een voetveer dat ons over de Donau naar het klooster Weltenburg brengen kan, fotogeniek gesitueerd aan de binnenbocht van een krappe, rotsachtige meander in de rivier. Het complex geniet faam vanwege de abdijkerk in barokstijl en een van de oudste, nog operationele bierbrouwerijen ter wereld; daarnaast kunnen we er – ik citeer het routeboekje – "op de binnenplaats genieten van een drankje of een kop koffie." Hetzelfde "bruine stukje" weet echter te melden dat de veerman of -vrouw bij slecht weer denkelijk schittert door afwezigheid; en mocht het pontje desondanks varen, dan worden wij niet bepaald warm van het idee in de stromende regen te worden overgezet in een onoverdekt bootje. De beslissing om linksaf te slaan komt dan ook, in tegenstelling tot het hemelwater, niet uit de lucht vallen.
We krijgen een omleiding gepresenteerd over kaarsrechte, brede zandwegen door eentonig bos. Flashbacks naar de laatste kilometers van de Schluchtensteig, evenmin de gehoopte apotheose van een overigens grandioze langeafstandswandeling, schieten door mijn hoofd.
"Ik ben ook wel klaar met dat fucking bos," laat de zelfbenoemde koning van de nuance zich ontvallen.
Juist als M. stoom heeft afgeblazen, wordt alles anders: niet alleen maakt het geboomte plaats voor verwilderde weilandjes, bovendien knapt het weer op. Even later staan we aan de oever van de Donau, die zich ter hoogte van waar we ons nu bevinden door een smalle kloof perst, de zogeheten Weltenburger Enge, met aan weerszijden steil oplopende hellingbossen en tientallen meters hoge, verticale rotsmuren. Een rondvaartboot bromt traag voorbij, tegen de sterke stroming in, zonder twijfel op weg naar het klooster van Weltenburg. De abdij bevindt zich voorbij een bocht, buiten ons gezichtsveld, en we geloven het verder wel. We volgen een geasfalteerd pad naar links langs het water door het spectaculaire doorbraakdal, onderlangs rotspartijen, voorwaar een waardig slot van onze trektocht. We passeren nog een verwaarloosd klooster waar in het weekend koffie schijnt te worden geschonken en zien in de verte de Befreiungshalle opdoemen, een megalomaan bouwwerk dat halverwege de negentiende eeuw in opdracht van de toenmalige koning van Beieren bovenop een heuvel is opgetrokken ter herdenking van een resem gewonnen veldslagen tegen het leger van ene Napoleon.
Achter ons pakken gitzwarte wolken zich samen boven de Donau en we spoeden ons daarom in de richting van de Altstadt van Kelheim, hollen onder een van de stadspoorten door en zoeken en vinden beschutting tegen een bui die nooit zou losbarsten in de eerste de beste Konditorei. Het etablissement lijkt als twee druppels water op café Wanders, in een inmiddels grijs verleden vaste prik bij onze bezoekjes aan Kleef: twee etages, verbonden door een welhaast koninklijk geproportioneerde wenteltrap, achter de ingang een grote vitrine met tientallen soorten gebak en taart, aangesneden in gulle porties, dezelfde oubollige inrichting, dezelfde gastvrijheid, dezelfde voortreffelijke cappuccino die in dezelfde koppen als soepkommen wordt opgediend en hetzelfde microklimaat (warm). We voelen ons er derhalve meteen op ons gemak. Er is de nodige aanloop, doch we vinden op de tweede verdieping een tafeltje aan het raam, vanwaar we de winkelstraat in kijken. We hangen onze natte kledij te drogen over de twee vrije stoelen naast ons, geven beneden onze bestelling door en zien, terwijl we smullen van het gebodene, een blauw toeristentreintje voorbij tuffen, zonder passagiers. M. maakt me attent op een klein verschil tussen Wanders en onderhavige zaak: zijn latte-art heeft de onmiskenbare vorm van twee tepels, een libertijnse frivoliteit die in het Kleef van vijftien jaar geleden ondenkbaar zou zijn geweest.
Kaart noch routebeschrijving geven voldoende uitsluitsel over de locatie van het officiële eindpunt van de Altmühltal-Panoramaweg. Als we het in de gauwigheid niet kunnen vinden, besluiten we de queeste na de avondmaaltijd te hervatten en intensiveren, en wandelen we linea recta naar ons onderkomen, waar we hartelijk worden verwelkomd en een kamer krijgen in een annex gebouw aan de als Biergarten ingerichte binnenplaats. We gaan aan tafel in een hoek van het restaurant, naast een vrouw alleen die een boek leest, en worden op een zakelijke en vriendelijke manier geholpen door een serveerster in regionale kleding. Zoals elke avond, behoudens die in Mörnsheim, krijgen we een driegangenmenu, waarbij we een keuze mogen maken uit verschillende hoofdgerechten; ik opteer voor de vis met aardappelsalade, tot grote tevredenheid voor- en achteraf.
In de avondschemering lopen we hartje Kelheim om, maar hoe we ook zoeken, op de centraal gelegen Ludwigsplatz en rond de voetgangersbrug over het Main-Donaukanaal, een als zodanig herkenbare finish van het afgelopen middag door ons voltooide pad lijkt ten enenmale te ontbreken. Met een markering op een anoniem verkeersbord, daar waar de Donaustraße uitmondt in de Ludwigsplatz, is het waarachtig lulligheid troef; bij de meet van de Eifelsteig (op een parkeerplaats onder de rook van Trier) en die van de West Highland Way (voor een rotonde aan de rand van Fort William) stond tenminste nog een informatiepaneel. Buiten wat opgeschoten jeugd zijn de straten uitgestorven; in de voordelig ogende winkelpanden zijn ondernemingen als dönerzaken en andere goedkope eetgelegenheden, tweedehandswinkels, reisbureaus en nagelstudio's neergestreken. Gesandwicht tussen de historische bebouwing aan het plein en de kerk is een gedrochtelijke blokkendoos, waarin een drogisterij is gehuisvest. Wat ik tracht te beschrijven is een troosteloze ambiance, een vage herinnering aan een oud, levendig stadje.
Dag 11: Kelheim – Treuchtlingen – Heidelberg
Donderdag 29 mei 2025
Hemelvaartsdag. Stipt op tijd komt de taxi voorrijden, die ons, bij gebrek aan een deugdelijke busverbinding op deze christelijke feestdag, bij het station afleveren zal. De chauffeur wenst ons een prettige Vatertag, hetgeen ons bevreemdt – niet alleen vanwege onze beiderleie kinderloosheid, maar ook omdat vaderdag in Nederland op de derde zondag in juni valt. Bij onze oosterburen worden vaders daarentegen op Hemelvaartsdag in de spreekwoordelijke watten gelegd, vermits dat toch al een vrije dag is, aldus de verheldering vanachter het stuur. Gewapend met deze nieuw verworven kennis betreden we transporthub Saal (Donau), waar ik gebruikmaak van de dixi die in onderhavige desolaatheid eigenhandig het sanitaire voorzieningenlandschap vertegenwoordigt. Geheel volgens dienstregeling rolt de trein het haltepunt binnen, boemelt door het licht glooiende, eentonige terrein ten zuiden van het Altmühltal, bereikt Ingolstadt trouw aan de geplande aankomsttijd, legt bij vertrek aldaar een heden ten dage bij de Deutsche Bahn zelden vertoonde punctualiteit aan de dag – en nochtans missen we onze aansluiting in Donauwörth. We verbeiden een uur op het perron met het uitdunnen van ons lunchpakket, alvorens we alsnog doorreizen naar Treuchtlingen, waar het geruststellende weerzien met mijn auto plaatsheeft.
Na een stiefe twee uur fahr'n, fahr'n, fahr'n auf der Autobahn rijden we de invalsweg naar Heidelberg op, waar we de vakantie afsluiten met een mini-stedentrip. Middenin het centrum, dat vrijwel ongeschonden uit de Tweede Wereldoorlog kwam en daarom een curiositeit an sich is, zetelt de oudste universiteit van Duitsland. Desalniettemin is de stad van een provinciale omvang, met een inwonertal vergelijkbaar met dat van 's-Hertogenbosch. Het heeft ons, qua prijsstelling, doen opteren voor een karakterloos, doch kraakzindelijk en van de nodige gemakken voorzien hotel op een perifeer bedrijventerrein, waar showrooms, autoverhuurders, werkplaatsen, onbestemde loodsen, auto-onderdelenwinkels, een MediaMarkt en de onvermijdelijke grillroom uitzicht en sfeer bepalen.
Via een appartementenwijk die op de locatie van een opgebroken spoorwegemplacement in aanbouw is wandelen we in de namiddag naar het hoofdstation en nemen daar de tram naar de Bismarckplatz, die het oudste deel van Heidelberg aan de westelijke zijde afsluit. Vanaf hier verkennen we de Hauptstraße, een ruim anderhalve kilometer lange voetgangerszone die het centrum van west naar oost en vice versa doorkruist, omzoomd door winkels, cafés en restaurants. Het aantal naoorlogse opstallen is op de vingers van één hand te tellen; vakwerkhuizen ontbreken wonderbaarlijk genoeg zelfs geheel in het harmonieuze ensemble van in barokstijl opgetrokken gebouwen. Ofschoon tot in de puntjes onderhouden, dragen de gevels en daken de sporen van zowel elementen als veroudering, kortom, dit is een onvervalste, authentieke Altstadt die zijn weerga niet kent, en we kijken dan ook onze ogen uit. Er is veel leven in de brouwerij: de terrassen zitten vol en mensen van het complete spectrum aan pluimages stromen onafgebroken om ons heen. Desondanks vinden we een vrije tafel in Emma's Biergarten waar we een vorkje kunnen prikken. We pilsen de dag af op een van de terrassen op de Marktplatz alvorens we de zure lappen opzoeken.
Na een stiefe twee uur fahr'n, fahr'n, fahr'n auf der Autobahn rijden we de invalsweg naar Heidelberg op, waar we de vakantie afsluiten met een mini-stedentrip. Middenin het centrum, dat vrijwel ongeschonden uit de Tweede Wereldoorlog kwam en daarom een curiositeit an sich is, zetelt de oudste universiteit van Duitsland. Desalniettemin is de stad van een provinciale omvang, met een inwonertal vergelijkbaar met dat van 's-Hertogenbosch. Het heeft ons, qua prijsstelling, doen opteren voor een karakterloos, doch kraakzindelijk en van de nodige gemakken voorzien hotel op een perifeer bedrijventerrein, waar showrooms, autoverhuurders, werkplaatsen, onbestemde loodsen, auto-onderdelenwinkels, een MediaMarkt en de onvermijdelijke grillroom uitzicht en sfeer bepalen.
Via een appartementenwijk die op de locatie van een opgebroken spoorwegemplacement in aanbouw is wandelen we in de namiddag naar het hoofdstation en nemen daar de tram naar de Bismarckplatz, die het oudste deel van Heidelberg aan de westelijke zijde afsluit. Vanaf hier verkennen we de Hauptstraße, een ruim anderhalve kilometer lange voetgangerszone die het centrum van west naar oost en vice versa doorkruist, omzoomd door winkels, cafés en restaurants. Het aantal naoorlogse opstallen is op de vingers van één hand te tellen; vakwerkhuizen ontbreken wonderbaarlijk genoeg zelfs geheel in het harmonieuze ensemble van in barokstijl opgetrokken gebouwen. Ofschoon tot in de puntjes onderhouden, dragen de gevels en daken de sporen van zowel elementen als veroudering, kortom, dit is een onvervalste, authentieke Altstadt die zijn weerga niet kent, en we kijken dan ook onze ogen uit. Er is veel leven in de brouwerij: de terrassen zitten vol en mensen van het complete spectrum aan pluimages stromen onafgebroken om ons heen. Desondanks vinden we een vrije tafel in Emma's Biergarten waar we een vorkje kunnen prikken. We pilsen de dag af op een van de terrassen op de Marktplatz alvorens we de zure lappen opzoeken.
Dag 12: Heidelberg
Vrijdag 30 mei 2025
In de gelagzaal wanen we ons in de kantine van een streekvervoeronderneming, maar het ontbijt is zonder meer uitstekend. De drie tafeltjes op het buitenterras zijn geconfisqueerd door rokers; hun valt een strakblauwe hemel en een aangename warmte ten deel. Hetzelfde doet spoorslags opgeld voor M. en scribent dezes, aangezien we het besluit hebben genomen per benenwagen naar het Heidelberger Schloss te gaan, in de hoedanigheid van een op de noordelijke flank van de Königstuhl prijkende, immense ruïne het markantste bouwwerk en derhalve het symbool van de stad. De wandeling voert een kleine drie kwartier lang voorbij triviale kantoorgebouwen en dito appartementencomplexen totdat we op de Bismarckplatz belanden. Dan lopen we de vooralsnog stille Hauptstraße af en gaan ten slotte omhoog naar het kasteel, een klim die weliswaar de zweetklieren tot een weinig activiteit maant, maar ons na de inspanningen op de Altmühltal-Panoramaweg amper meer kan verontrusten. Nadat we het slot vanaf het pad langs de drooggevallen gracht hebben bewonderd, genieten we vanaf het balkon van de overweldigende vergezichten over de daken van de Altstadt en het sterk heuvelende land op beide oevers van de Neckar dat op twaalf uur abrupt overgaat in de Rijnvlakte.
Omdat de horeca in en rond onderhavige trekpleister ons maar matig kan bekoren, dalen we via een andere route af naar het centrum en vinden daar een gelegenheid met een door de Zuid-Duitse keuken gedomineerde kaart, waar we zuurkool met gebakken aardappeltjes en worst aan laten rukken – daarbij het kwik in de wind slaand. Met een strakgetrokken maagwand bezoeken we de grote kerk op de markt, die vanbinnen opvallend sober is ingericht, nemen we een kijkje in de achter steigerconstructies verscholen universiteitsbibliotheek en verzilveren we onze tickets voor de voormalige studentengevangenis – ofwel de ballenbak, als ik mij dit Seth Gaaikemaatje mag veroorloven.
Tot het vallen van de avond slenteren we kriskras door de stegen en straatjes dwars op de Hauptstraße, tot we ze ten langen leste allemaal van haver tot gort kennen, steeds tot de dorst toeslaat, waarna we ons vervoegen tot een van de talloze terrassen. We wagen ons ook wat verder van de hoofdstraat vandaan, waar de opstallen minder toeristische potentie hebben; niettemin is met name de bebouwing uit de economisch gunstige Gründerzeit, met zijn weelderig versierde voorgevels en balkons, een kleine omweg waard. Elders buiten het winkelgebied wordt de sfeer bepaald door studenten en alternatievelingen, een ambiance zoals we die twee jaar geleden in de Neustadt van Dresden aantroffen.
De landerigheid heeft toegeslagen, door een combinatie van de warmte, de drukte en het besef dat het einde van de reis nakende is. We hebben beiden weinig zin meer om veel energie te steken in het zoeken van een aardig restaurant. Na enig lusteloos dwalen zetten we ons op een terrasje met vier of vijf tafeltjes in een zijwegje, voor een zaak die vanbinnen knus en gezellig oogt. Zowel het bedienend personeel als de natjes en droogjes blijken echter uit de afhaalpizzeria twee deuren verderop te komen. Te elfder ure maken we nog kennis met het fenomeen sanbitter, een bloedrood, alcoholvrij aperitiefje uit de laars van Europa. We keren terug naar waar we tussen de middag hebben geluncht, drinken er Rauchbier, zien er de zijdezachte laatste zonnestralen op het slot vallen, dat daardoor sanbitterkleurig oplicht, en lopen dan een weinig aangeschoten terug naar ons onderdak.
Omdat de horeca in en rond onderhavige trekpleister ons maar matig kan bekoren, dalen we via een andere route af naar het centrum en vinden daar een gelegenheid met een door de Zuid-Duitse keuken gedomineerde kaart, waar we zuurkool met gebakken aardappeltjes en worst aan laten rukken – daarbij het kwik in de wind slaand. Met een strakgetrokken maagwand bezoeken we de grote kerk op de markt, die vanbinnen opvallend sober is ingericht, nemen we een kijkje in de achter steigerconstructies verscholen universiteitsbibliotheek en verzilveren we onze tickets voor de voormalige studentengevangenis – ofwel de ballenbak, als ik mij dit Seth Gaaikemaatje mag veroorloven.
Tot het vallen van de avond slenteren we kriskras door de stegen en straatjes dwars op de Hauptstraße, tot we ze ten langen leste allemaal van haver tot gort kennen, steeds tot de dorst toeslaat, waarna we ons vervoegen tot een van de talloze terrassen. We wagen ons ook wat verder van de hoofdstraat vandaan, waar de opstallen minder toeristische potentie hebben; niettemin is met name de bebouwing uit de economisch gunstige Gründerzeit, met zijn weelderig versierde voorgevels en balkons, een kleine omweg waard. Elders buiten het winkelgebied wordt de sfeer bepaald door studenten en alternatievelingen, een ambiance zoals we die twee jaar geleden in de Neustadt van Dresden aantroffen.
De landerigheid heeft toegeslagen, door een combinatie van de warmte, de drukte en het besef dat het einde van de reis nakende is. We hebben beiden weinig zin meer om veel energie te steken in het zoeken van een aardig restaurant. Na enig lusteloos dwalen zetten we ons op een terrasje met vier of vijf tafeltjes in een zijwegje, voor een zaak die vanbinnen knus en gezellig oogt. Zowel het bedienend personeel als de natjes en droogjes blijken echter uit de afhaalpizzeria twee deuren verderop te komen. Te elfder ure maken we nog kennis met het fenomeen sanbitter, een bloedrood, alcoholvrij aperitiefje uit de laars van Europa. We keren terug naar waar we tussen de middag hebben geluncht, drinken er Rauchbier, zien er de zijdezachte laatste zonnestralen op het slot vallen, dat daardoor sanbitterkleurig oplicht, en lopen dan een weinig aangeschoten terug naar ons onderdak.
Dag 13: Heidelberg – Nijmegen – Alverna
Zaterdag 31 mei 2025
Naar huis. Bij nadering van Garzweiler gaat het bijna weer mis, maar mijn beslissing om consequent de bebording te gehoorzamen pakt goed uit. Aldus zijn we ruim voor het vallen van de avond thuis.






























